nieuws

Is de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum slooprijp?

bouwbreed Premium

Door verschillende omstandigheden wacht men in Amsterdam nog steeds met enige spanning op de uitkomst van de meervoudige studieopdracht aan vier architecten voor uitbreiding van het Stedelijk Museum. De ontwerpen van Rem Koolhaas, Wim Quist, Robert Venturi en Carel Weeber rekenden alle definitief af met eerdere uitbreidingsfasen.

Is sloop van de Nieuwe Vleugel in het ontwerp werkelijk zindelijk?

Architectuurkritiek Wim van Heuvel De vroegere directeur van het Stedelijk Museum, jhr. Will Sandberg, heeft tussen 1938 en 1962 een sterk persoonlijk stempel op de museale huisvesting gedrukt.

Het oude gebouw, zoals we dat sedert decennia kennen, is grondig en soms wat hardhandig door Sandberg onder handen genomen. Al spoedig na de indiensttreding nam de toenmalige directeur Roell een weekje verlof waarin volgens afspraak entreehal, trappehuis en dergelijke werden gewit. Dat kwam hard aan; bij de museumstaf omdat het wat erg licht werd, bij de burgemeester omdat die van niets wist. De rode baksteen met gele speklagen en groene tegels in de halfronde boogtrommels boven deuren verdwenen in een keer. Het gele glas van het daklicht boven de trap moest daarop vervangen worden door ongekleurd glas, de licht–intensiteit werd verminderd door een velum onder het daklicht.

Vernieuwingen Het spreekwoordelijke hek was van de dam. De paars/bruine lambrizeringen met daarboven groen/grijs velours op de zalen maakten plaats voor bespanningen van grof jute dat wit werd gekeimd. Monumentale banken midden in die zalen, gebouwd rond verwarmingsradiatoren, werden verwijderd; zo ontstond een herboren museale ruimte die internationaal als vernieuwend werd ervaren.

In de jaren vijftig werd het vernieuwingsproces voortgezet. De zware houten deuren maakten plaats voor glas. Verzamelingen met schutterij-collectie, tijdmeting, apotheken en Oostaziatische kunst werden met stijlkamers elders ondergebracht.

Daardoor kwam ook de tuinzaal aan de achterzijde vrij en werden restaurant, bibliotheek, prentenkabinet en dergelijke in het bestaande gebouw ingebreid. De laatste ruimten naar ontwerp van Bart van Kasteel.

Sandberg, inmiddels directeur van de gemeentelijke musea, was er niet ongelukkig mee dat deze vernieuwingen zich uitstrekten over een periode van meer dan tien jaar. Hij verdiepte zich in museale ruimten en keek bij buitenlandse bezoeken goed toe wat er daar gebeurde. Niemand minder dan de -even- fameuze collega Alfred Barr van het Museum of Modern Art uit New York inspireerde hem tot activiteiten zoals het collectioneren van fotografie en film, het wegnemen van drempels en afstemmen op de behoeften van een groot publiek. (Een verschil met de opvattingen van de eerdaags aantredende Rudi Fuchs, maar tijden veranderen).

Nieuwe inzichten Reeds lang was er sprake van nieuwbouw.

Uniek daarbij was dat er ook geld beschikbaar was, afkomstig van een legaat van bijna f.0,5 miljoen uit de oorlogsjaren. Daarvan werd uiteindelijk geen vervangende nieuwbouw, maar een uitbreiding bekostigd, omdat geldontwaarding beperkingen oplegde.

Rond 1952 publiceerde Sandberg in De Groene Amsterdammer het artikel ‘Gedachten over een museum voor hedendaagse kunst’, dat overigens ook in het Frans en Engels is gepubliceerd. Daarin traden voorkeuren naar voren die feilloos pasten bij de uitbreiding met de Nieuwe Vleugel.

Sandberg noteerde onder meer: “Zijlicht is natuurlijker en prettiger dan bovenlicht. Kunstlicht moet alleen worden gebruikt wanneer dat noodzakelijk is… Ideaal zou een grote ruimte zijn met daglicht van opzij en met verplaatsbare schotten… Van de straat af moet men ke zien wat er in het museum te zien is zodat de objecten zelf de voorbijgangers uitnodigen.”

Zijlicht genoot de voorkeur, mede omdat bij vet schilderen met ‘lekkere kwastolieverf’ relief optreedt in het schilderij, overigens al bij Van Gogh, wiens werk bij licht van bovenaf schaduwwerking oplevert.

Omdat schilders vrijwel uitsluitend met zijlicht werken, genoot dat dus de voorkeur.

Nieuwe Vleugel In 1954 werd de Nieuwe Vleugel geopend.

Het ontwerp met een expositiezaal op begane grond en verdieping had wat voeten in de aarde gehad. Twee glazen langsgevels boden zicht op de kunstwerken en doorzicht naar de museumtuin. De pers noemde het een museumaquarium.

Die glasgevels gaven in de ontwerpfase aanleiding tot hoog oplaaiende discussies.

Stadsarchitecten als ir. Hulshof en later Leupen wilden niet zulke ongedeelde grote ruiten in het ontwerp opnemen. Na een uit de hand gelopen excursie naar de beeldenzaal van Rijksmuseum Kroller-Muller, die erg uitliep, werd op de terugreis gedineerd en veel gedronken. Het laatste verklaart de wat kreupele toen overeengekomen toeschrijving van het ontwerp:F.A.

Eschazier ontwierp het interieur ‘en de ramen’; het exterieur werd verder aan de gemeente-architecten toegeschreven.

Door de oorlog in Korea liepen de staalprijzen zo op, dat het gebouw wat kleiner is gemaakt. Ook werd een rij kolommen op de begane grond nodig, hoewel men kolomvrij als ideaal zag.

Bruikbaarheid Het is opmerkelijk dat de architecten voor de uitbreiding in 1992 geen duimbreed in de weg is gelegd om rucksichtslos te slopen. In alle vier de ontwerpen verdween zowel de aangebouwde kantoorruimte uit de jaren zeventig als de Nieuwe Vleugel uit 1954. Het werd de heren architecten makkelijk gemaakt want er was geen voorkeur voor behoud of sloop door de gemeente of het museum gegeven. Men vroeg alleen een motivatie voor sloop op te geven, en daarover was weinig op de tentoonstelling te lezen. Sloop was dus vooral makkelijk.

Maar de toegevoegde bouwvolumes maakten behoud niet onmogelijk. Want tegenover sloop kan men ook stellen dat de museale geschiedenis van het Stedelijk Museum behoud rechtvaardigt. Het gebouw was internationaal spraakmakend en inspireerde architecten tot soortgelijke oplossingen in Scandinavie met voorop het voortreffelijke museum Louisiana in Humlebaek ten noorden van Kopenhagen, een museum in Rio maar ook de selectie van het Centre Pompidou in Parijs waar Sandberg in de jury zat en zijn ideeen uitdroeg.

Inmiddels zijn de inzichten omtrent daglichttoetreding weer wat genuanceerder en geniet bovenlicht toch weer voorkeur bij schilderijen. Maar de staf van het Stedelijk gaf toe, dat de Nieuwe Vleugel heel bruikbaar is om beelden te exposeren.

Houdbaar?

De vraag is of de Nieuwe Vleugel opgenomen kan worden in nieuwe plannen. Dat zou zowel bij Quist als bij Venturi heel goed mogelijk zijn. Dat gaat mischien wat ten koste van hun ideaalbeeld van een gezichtsbepalende uitbreiding.

Overigens zou het bij een opzet a` la Venturi mogelijk zijn de prachtige hal deels op de tuinzijde van de Nieuwe Vleugel aan te laten sluiten, zodat men via de expositieruimte met beelden doorkijkt in die hal met binnenvallend bovenlicht. Ook kan er aan worden gedacht de Nieuwe Vleugel in het totale bouwvolume op te nemen en eventueel te overbouwen:alleen de beide glasgevels zijn in principe met het casco zinnig om te bewaren.

Het Stedelijk zou daarmee de eigen geschiedenis van zijn architectuur recht doen, de in zijn tijd opzienbarende gezichtpunten van Sandberg levendig houden (wat zou het museum zonder deze eminente directeur ooit zijn geworden?) en de royale gift in de vorm van een legaat van de heer Vom Rath recht doen. Het is opmerkelijk dat niemand het teloorgaan van de Nieuwe Vleugel zelfs maar ter discussie stelt. De vraag is overigens wat de nieuwe directeur Rudi Fuchs er van vindt.

Hij publiceerde ooit een inspirerend betoog over het Sloane Museum in Londen, waar hij zich lyrisch uitliet over de bouwkundige groei van de voormalige architectenwoning tot een huisvesting van een persoonlijke museumcollectie.

Inmiddels blijft het de vraag, wat de museumstaf, de wethouder en de gemeente precies voor prioriteiten stellen. Dat geldt ook in samenhang met stedebouwkundige uitgangspunten van het Museumplein, waarvan het Deense schetsontwerp 1 tot 19 maart in de raadzaal van het stadsdeelkantoor Amsterdam Zuid (Koninginneweg 1) tijdens de kantooruren wordt geexposeerd. Maar het blijft opvallend dat men tot nu toe kennelijk nauwelijks aan de recente geschiedenis van het museumgebouw aandacht heeft besteed, dat wil zeggen aan meer dan het behoud van het oorspronkelijke gebouw in zijn huidige vorm. Het lijkt mij zindelijk hier eerst eens een wat gemotiveerde uitspraak over te doen. Het zal de drie Nederlandse architecten toch niet geheel ontgaan zijn wat de Nieuwe Vleugel voor het naoorlogse Stedelijk Museum heeft betekent en wat voor invloed die had op de recente museum–ontwerpen. Zeker is dat zi’j het zwaar krijgen om di’e museale kwaliteit te halen.

foto links De bovenzaal met een door Sandberg ingerichte tentoonstelling van La Quernia van Picasso en voorstudies op expositiesschotten en in vitrines. De kolomloze ruimte met zijlicht van twee kanten werd ruimtelijk optimaal benut.

foto rechts Exterieur van de Nieuwe Vleugel naar ontwerp van architect J. Sargentini en J.

Leupen, waarbij de voor het museuminterieur aangetrokken F.A. Eschauzier verantwoordelijk was voor de gevelkozijnen!

Reageer op dit artikel