nieuws

Testament en schenkingsrecht (3)

bouwbreed

Hoe kan een ondernemer via een firma-contract zijn opvolging na overlijden regelen in een situatie waarin reeds twee of meer firmanten in de firma zitten? Welke maatregelen moet hij nemen om aan het eind van de rit er fiscaal zo gunstig mogelijk uit te springen?

Opvolging in bv en firma

In firma-contracten worden twee hoofdregels gehanteerd; het overnemings- en verblijvingsbeding. Het overnemingsbeding garandeert een IB-heffing over stille reserves en eventueel over de goodwill van 20% (overlijdenstarief), terwijl voor het verblijvingsbeding het vaste bijzonder tarief van 45% geldt. Een nadeel van het overnemingsbeding is echter dat de erven geen zekerheid hebben dat het firma-aandeel van de firmant na zijn overlijden daadwerkelijk door de mede-firmanten wordt overgenomen. Die continuiteit wordt beter gewaarborgd met het verblijvingsbeding, waarbij wordt aangenomen dat de firmant al tijdens zijn leven onder een opschortende voorwaarde heeft beslist over de overdracht van zijn firma-aandeel.

De staatssecretaris heeft in 1964 voor deze problemen een oplossing aangereikt in de vorm van het ‘verblijvingsbeding met vertraagde werking’.

Dit betekent dat de koper formeel nog een handeling moet verrichten om de overname te effectueren, dan wel dat de overname automatisch na een vastgestelde periode in werking treedt. In de visie van de staatssecretaris betekent dit dat aangenomen mag worden dat de overdracht na het overlijden van de firmant heeft plaatsgevonden en dus het overlijdenstarief (20%) van toepassing is. Juridisch gezien is die handelwijze niet waterdicht. Dat blijkt ook uit een recent arrest van de Hoge Raad met het gevolg dat bij een verblijvingsbeding met vertraagde werking een terugbetaling van WIR-premies wordt geeist. De Hoge Raad stelt namelijk dat de overdracht van het firma-aandeel geen gevolg is van het overlijden van de firmant, maar van een normale transactie die een desinvesteringsbetaling veroorzaakt.

Overigens ziet het ernaar uit dat bij het verblijvingsbeding met vertraagde werking toch het 20% tarief blijft gelden.

Maar voor firmanten is het nu belangrijk geworden te bekijken of er grote desinvesteringsverplichtingen zijn. Door de uitspraak van de Hoge Raad heeft de fiscus immers een instrument in handen om een desinvesteringsbetaling op te eisen. De overnemende firmant heeft door het wegvallen van de WIR sinds 1988 geen recht meer op WIR-premie maar op een beperkte investeringsaftrek. Dat weegt dus in de meeste gevallen niet op tegen de desinvesteringsbetaling die de verkopende partij moet doen. Firmanten die in deze situatie zitten wordt geadviseerd te overwegen op tijd over te schakelen naar een contract met een overnemingsbeding.

Opvolging in de bvg

Ofschoon het niet verstandig is de opvolging in de bv per testament te regelen, komt het in de praktijk nog steeds op grote schaal voor dat vader bijv. de enige aandeelhouder is in een bv, zonder dat hij een van zijn erfopvolgers als aandeelhouder bij de onderneming heeft betrokken.Hij heeft bijv. een zoon en twee dochters en wil zijn zoon als erfopvolger voorbestemmen. In veel gevallen is dat dan via een legaat in het testament geregeld, waarbij de aandelen worden toegescheiden aan de zoon onder de verplichting van de inbreng van de waarde in de boedel. Vader wil (en kan) immers zijn beide dochters (erven) niet benadelen. De totale waarde van zijn nalatenschap moet wettelijk verplicht onder al zijn kinderen worden verdeeld. Zo ontstaat voor de zoon een enorm probleem. Als vader overlijdt, krijgt hij de aandelen toegescheiden en daarmee gelijktijdig een schuld aan de boedel.

Na de verdeling van de boedel ontstaat voor hem een schuld aan zijn beide zusters. Het is nog maar de vraag of hij daar ooit bovenop kan komen, omdat hij eenvoudig geen kans ziet uit het bedrijf voldoende prive-vermogen te halen om zijn zusters af te lossen.

Opvolgings-resolutie

Sinds kort is daar via een wijziging in de wet inkomstenbelasting (art. 40a) een oplossing voor aangereikt. In het voorbeeld werkt de wet als volgt.

De aandelen van vader vererven zowel aan de zoon als aan de beide dochters. Zo ontstaat een situatie waarin drie aandeelhouders, elk 33 1/3% van de aandelen bezitten. Vervolgens richt de zoon een personal holding op (eigen bv). Hij moet daarvoor uit prive f.40000 storten. Zijn bv koopt de aandelen van zijn beide zusters (schuld aan zusters). De werkmaatschappij (bv van vader) kan dan door gebruik te maken van de deelnemingsvrijstelling -zonder heffing van belasting- dividend uitkeren naar de personal holding. Op het 1/3 deel van de aandelen in de werkmaatschappij dat de zoon in prive heeft moet dan ook dividend worden uitgekeerd, waarmee weer geld naar de fiscus afvloeit. Dat geld heeft hij juist nodig om de aankoop van die aandelen te financieren. De wetswijziging heeft het nu mogelijk gemaakt dat de zoon zijn geerfde aandelen in de werkmaatschappij ook belastingvrij kan overdragen aan zijn personal holding. Tot voor kort leidde dat onherroepelijk tot een IB-heffing van 20% of zelfs progressief tarief.

De zoon krijgt geen vordering uit hoofde van de overdracht van zijn aandelen. Maar aan hem wordt nominaal eenzelfde aantal aandelen van zijn eigen holding uitgereikt als hij inbrengt aan aandelen uit de werkmaatschappij (van vader). Met deze constructie wordt bereikt dat alle aandelen van de werkmaatschappij in de holding van de zoon zitten, waarmee de mogelijkheid ontstaat om dividenden vanuit de werkmaatschappij uit te keren naar de holding (vrij van vennootschaps- en inkomstenbelasting). Hiermee kan de holding van de zoon de schuld aan de beide zusters aflossen.

Tevens ontstaat de mogelijkheid om een fiscale eenheid aan te vragen tussen de werkmaatschappij en de holding.

Indien de schuld aan de beide zusters zo groot is dat hij niet direct kan worden afgelost met de liquide middelen die uit de werkmaatschappij vloeien, dan wordt in ieder geval gerealiseerd dat de rentelasten van de holding op de schuld aan de beide zusters kan worden verrekend met de winsten (voor belasting) die de werkmaaatschappij zelf maakt.

Er zijn nogal wat voorwaarden aan verbonden. Zo mogen o.a.

de uittredende aandeelhouders (beide zusters) formeel op geen enkele manier economisch of juridisch met de werkmaatschappij of holding zijn verbonden. Het is echter veel verstandiger reeds bij de omvorming van een firma naar een bv-structuur of bij een herstructureringsoperatie de opvolging tijdens het leven van vader in gang te zetten. De hele financiering kan dan binnen de bv-structuur worden gehouden.

Vragen en problemen op het gebied van belastingen en accountancy ke worden doorgebeld aan Paul Schol, Moret Ernst & Young Accountants Arnhem. Tel.:085-640800.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels