blog

Wel of geen opdracht verleend?

bouwbreed 759

Wel of geen opdracht verleend?

Aanbesteden blijft lastig, vooral in de precontractuele fase. Wanneer is er sprake van een (definitieve) gunning? Is binnen de termijn waarvan de inschrijver heeft aangegeven zijn prijsaanbieding gestand te doen daadwerkelijk opdracht verleend? Zo neen, dan is de inschrijver niet gebonden aan die prijs.

De casus

Een woningcorporatie besteedt meervoudig onderhands een project aan, bestaande uit 249 woningen met parkeervoorzieningen. Het project wordt in 3 fasen uitgevoerd. Voor elk van de fasen wordt een deelopdracht verstrekt. De inschrijver moet voor elke fase een prijs en een totaalprijs indienen. De gestanddoeningstermijn bedraagt 90 dagen. Indien een deelopdracht gegeven wordt buiten de gestanddoeningstermijn vindt BDB-indexering plaats vanaf de einddatum van de gestanddoeningstermijn. Aanbesteder had het UAR van toepassing verklaard waarin valt te lezen “De opdracht geschiedt door de aanbesteder door middel van een schriftelijke mededeling.” Aangegeven werd dat als gunningsdata werden gehanteerd fase 1: oktober 2004, fase 2: 15  januari 2005 en fase 3: 15 maart 2006.

De aanbesteding vond op 15 juli 2004 plaats en een aannemer komt met een totaalprijs van € 24.926.000,- (uitgesplitst in de drie deelopdrachten) als laagste uit de bus. Voor fase 1 werd in februari 2005 met deze aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten, met daarin een post “Indexering, vertragingskosten.” Voor fase 2 werd in mei 2005 een aannemingsovereenkomst gesloten zonder indexering, dus tegen de prijs van de inschrijving. Problemen ontstonden bij fase 3. Op 10 maart 2006 liet de aannemer weten fase 3 uit te kunnen voeren tegen een geïndexeerde aanneemsom van € 8.279.551,00. Vervolgens gaf de aannemer aan dat in verband met de vertraging van de derde fase niet volstaan kon worden met de BDB-indexering. Het werk was niet binnen de gestanddoeningstermijn van 90 dagen aan haar schriftelijk  gegund, zoals het UAR voorschrijft, zodat zij zich niet meer gebonden achtte aan haar aanbod van 15 juli 2004. Wel was zij bereid het werk uit  te voeren voor een aanneemsom van € 9.407.000,00. Partijen sprake af de rechter hierover om een oordeel te vragen.

De rechtbank

De rechtbank stelde vast dat de opdrachtgever binnen de gestanddoeningstermijn geen schriftelijke mededeling aan de aannemer had gedaan tot opdrachtverlening van fase 3. Er is voor fase 3 geen overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen. Daaruit volgt weer dat de aannemer na het verlopen van de gestanddoeningstermijn niet meer verplicht was haar aanbieding verder gestand te doen. Dat leidt tot de conclusie dat de aannemer in 2006, toen partijen in onderhandeling traden over de uitvoering van fase 3, vrij was een andere prijs te bedingen dan waarvoor zij op 15 juli 2004 had ingeschreven.

Het Gerechtshof

De corporatie tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis en het hof kwam inderdaad tot een ander oordeel dan de rechtbank. Het hof stelde vast dat de aannemer in juli 2004 was uitgenodigd voor het bouwvoorbereidingsoverleg. Uit de inhoud van het verslag van dat overleg blijkt dat deze aannemer als enige van de inschrijvers die bijeenkomst heeft bijgewoond. Hieruit moet worden afgeleid dat de corporatie vóór die bijeenkomst en dus binnen de gestanddoeningstermijn de aannemer heeft medegedeeld, dat zij had besloten de opdracht voor het gehele werk aan haar te gunnen. Daarom moet, behoudens tegenbewijs, als bewezen worden beschouwd dat de corporatie de opdracht voor het gehele werk, alle drie de fasen omvattende, mondeling binnen de gestanddoeningstermijn aan de aannemer heeft verleend. Dat dit niet schriftelijk is gebeurd staat de totstandkoming van de overeenkomst niet in de weg. De aannemer heeft dus slechts recht op de oorspronkelijke aanneemsom verhoogd met de BDB index.

 


Mr. J. (Jurriën) Deckers MDR, advocaat Accolade

 

Bron: Rechtbank Arnhem ECLI:NL:RBARN:2007:BB8431 en Gerechtshof Arnhem ECLI:NL:GHARN:2009:BI4761

Reageer op dit artikel