blog

Juridisch | Richting aan aanbestedingspraktijk best value procurement

bouwbreed Premium 1261

Juridisch | Richting aan aanbestedingspraktijk best value procurement

In 2017 zijn de nodige uitspraken in Kort Geding gewezen die stevig richting geven aan de Best Value Procurement (BVP) aanbestedingspraktijk.

De rechtbank Arnhem (ECLI:NL:RBGEL:2017:3275) en de rechtbank Utrecht (ECLI:NL:RBMNE:2017:3099) oordeelden in juni 2017 dat de vermelding dat de aanbesteding verloopt via de BVP methodiek niet meebrengt dat de beoordeling geschiedt aan de hand van al hetgeen over BVP in de handboeken en literatuur geschreven is. In die literatuur is nog geen hoge mate van consensus terug te vinden en is daarmee te ongewis. De wijze van beoordeling conform de BVP methodiek moet beschreven staan in de aanbestedingsdocumenten. De rechtbank Utrecht oordeelde in genoemde uitspraak verder dat een zeer globaal omschreven opdrachtdoelstelling zich in de beoordelingsfase slecht verdraagt met een blijkbaar bij de aanbestedende dienst aanwezige concrete wensenlijst. En multi-interpreteerbare begrippen als “flexibel”, “eenvoudig” en “gebruiksvriendelijk” zijn daarbij volgens de rechtbank geen wenselijke begrippen bij de beoordeling.

In een uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:280) wordt bevestigd dat intrekken van een aanbesteding vanwege de wens van de aanbestedende dienst om bij nader inzien een ander systeem van aanbesteden te hanteren dan de BVP methodiek, niet kan worden aangemerkt als een wezenlijke wijziging die een heraanbesteding rechtvaardigt. Dat tijdens die procedure naar voren kwam dat de gemeente gronden voor intrekking van de aanbesteding verzonnen had, omdat zij een bepaalde inschrijver buiten de deur wenste te houden zal overigens niet hebben bijgedragen aan de proceskansen van de aanbestedende dienst.

Verder oordeelde de rechtbank dat het intrekken van de aanbesteding in de concretiseringsfase na slechts enkele overleggen met de beoogde winnaar meebrengt dat de aanbestedende dienst niet te goeder trouw heeft gehandeld. De BVP methode brengt immers mee dat de inschrijver in deze fase aangeeft hoe hij de projectdoelstellingen optimaal gaat realiseren, waarbij de opdrachtgever controleert en bij eventuele zorgen vragen stelt. Geoordeeld wordt dat de aanbestedende dienst in deze fase serieus het gesprek moet aangaan met de beoogd winnaar over (in deze kwestie) het concept plan van aanpak en de financiële onderbouwing. De concretiseringsfase moest worden voortgezet.

Inschrijving kan ook in de concretiseringsfase ongeldig verklaard worden

Uit een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 september 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:11289) blijkt overigens dat een inschrijving ook in de concretiseringsfase nog altijd ongeldig verklaard kan worden als blijkt dat de inschrijving niet voldoet aan de uitvraag.

De wat vreemde bepaling dat één interview met twee sleutelfunctionarissen tegelijk zou plaatsvinden, kon volgens de Voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (ECLI:RBROT:2017:5351) door de beugel. Dit was voldoende kenbaar uit de aanbestedingsstukken. En daarnaast was hierover te laat geklaagd.

Opmerkelijk was verder de uitspraak van de Voorzieningenrechter te Arnhem van 2 mei 2017 (ECLI:RBGEL:2017:3275). Geoordeeld werd dat de beoordeling van een risico door de aanbestedende dienst niet juist was. Het lijkt er op dat de Voorzieningenrechter in deze uitspraak ten onrechte een ondernemersrisico als opdrachtgeversrisico aanmerkt. Vervolgens spreekt de rechtbank een herbeoordeling uit.

Terughoudendheid geboden bij het uitsluiten van inschrijving die als manipulatief of irreëel wordt gezien

Uit de uitspraak van de Voorzieningenrechter te Amsterdam van 8 maart 2017 (ECLI:RBAMS:2017:1504) volgt dat bij aanbesteden volgens de BVP methodiek terughoudendheid geboden is bij het uitsluiten van een inschrijving die als manipulatief of irreëel wordt gezien. Bij BVP is sprake van een ruim kader met veel vrijheid voor inschrijvers, waarbij de haalbaarheidstoets pas volgt in de concretiseringsfase.

De meest recente uitspraak die interessant is voor de praktijk is een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 oktober 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:12592). Daarin is onder meer geoordeeld dat indien een inschrijver op één onderdeel van het kansen- of risicodossier een betere beoordeling had moeten krijgen, dat niet automatisch leidt tot een hogere score voor dat dossier. De cijfers die voor het dossier zijn gegeven zijn immers gebaseerd op een overall beoordeling van alle kansen respectievelijk risico’s.


Joost Haest, Severijn Hulshof advocaten

Reageer op dit artikel