blog

Meer duidelijkheid over planschadevergoeding

bouwbreed Premium 467

Meer duidelijkheid over planschadevergoeding

Op 1 november 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in hoger beroep een uitspraak gedaan over voorzienbaarheid in het kader van planschadevergoeding (ECLI:NL:RVS:2017:2928). Kort samengevat: indien een partij die schade lijdt als gevolg van een planologische maatregel (meestal een wijziging van een bestemmingsplan) die wijziging lang genoeg van tevoren kon zien aankomen om maatregelen te nemen om die schade te voorkomen, dat heeft die partij geen recht op vergoeding van planschade. Indien iemand bij voorbeeld vastgoed koopt en op dat moment redelijkerwijs kon vermoeden dat het bestemmingsplan zou wijzigen, dan aanvaardt hij actief het risico dat met die wijziging is gemoeid.

De casus

Appellanten zijn sinds 30 juni 1986 eigenaar  van een woning in Utrecht. Er is in 2010 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld dat het mogelijk maakt om op gronden achter het perceel waarop deze woning staat woningen en half-ondergrondse parkeergarages te bouwen. Volgens de appellanten heeft dit tot een vermindering van de waarde van de onroerende zaak geleid.

De gemeente heeft een verzoek om planschadevergoeding afgewezen, omdat appellanten al ten tijde van de aankoop van hun woning in 1986 konden weten dat er op de gronden achter de woning in de toekomst woningbouw zou gaan plaatsvinden, aldus de gemeente.

Uit de toelichting bij het plan dat vigeerde ten tijde van de aankoop van het huis door appellanten blijkt namelijk dat het beleid van de gemeente erop gericht was de woonfunctie in het plangebied te versterken en zijn de gronden achter de woning bestemd voor Wonen en voor (aan woondoeleinden ondergeschikte) half-ondergrondse parkeergarages. Op 6 april 1982 hebben gedeputeerde staten van de provincie Utrecht aan het bestemmingsvlak Parkeergarage en Woondoeleinden IV  echter goedkeuring onthouden, omdat niet aannemelijk werd geacht dat de nieuwe bestemming binnen de planperiode van tien jaar daadwerkelijk tot uitvoering zou worden gebracht.

De Rechtbank vindt dat laatste niet doorslaggevend, omdat uit het besluit van het college van gedeputeerde staten van 6 april 1982 niet blijkt dat woningbouw met bijbehorende parkeergelegenheid op de gronden onwenselijk is geacht of is uitgesloten.

Oordeel van de Afdeling

De Afdeling denkt daar echter anders over en overweegt dat het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden aan het desbetreffende deel van het bestemmingsplan, omdat de gemeente destijds niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bestemmingen wonen en parkeergarage binnen de planperiode zouden worden gerealiseerd.

Dit brengt volgens de Afdeling met zich dat de appellanten ten tijde van de aankoop van de woningen niet hadden behoeven te voorzien dat het beleidsvoornemen van het toenmalige bestemmingsplan nog ten uitvoer zou worden gebracht. Van een concreet beleidsvoornemen was op dat moment immers geen sprake meer. Dat het college van gedeputeerde staten niet heeft overwogen dat woningbouw en parkeervoorzieningen niet wenselijk zou zijn, is onvoldoende voor het oordeel dat voorzienbaarheid zou moeten worden aangenomen. Immers, zo overweegt de Afdeling verder, het college van gedeputeerde staten heeft vastgesteld dat de gemeente geen actief beleid zal kunnen voeren voor het realiseren van woningbouw ter plaatse. Pas 20 jaar later is een ontwerp bestemmingsplan met zo’n concreet voornemen ter inzage gelegd.

De slotsom is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college actieve risicoaanvaarding aan de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade ten grondslag mocht leggen.

 



Prof. dr. ir. A.G. Bregman, hoogleraar Bouwrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen en verbonden aan het Instituut voor Bouwrecht in Den Haag en aan de Amsterdam School of Real Estate (ASRE).

Reageer op dit artikel