blog

‘U weet toch . . .’

bouwbreed Premium

‘U weet toch . . .’
Suzanne van de Kerk

Als beginnend advocaat stond ik jaren geleden een projectontwikkelaar bij die een (nieuwbouw)appartement verkocht had aan een jong stel. Als ik mij goed herinner: een piloot en een stewardess, maar dat doet er eigenlijk niet toe. Wat wel van belang was, waren de klachten die zij hadden. Er zouden vele bouwkundige gebreken zijn gebleken na de sleuteloverdracht.

Dat leidde ertoe dat de advocaat van deze kopers een kort geding begon bij de rechtbank Amsterdam. Niet bij de Raad van Arbitrage, want er was geen zogenoemd arbitraal beding afgesproken. En dan ben je volledig op de gewone rechter aangewezen, zoals in deze zaak.

De advocaat van de kopers had een lijvige dagvaarding laten uitbrengen en fors wat bewijsstukken in het geding gebracht. En bij aanvang van de zitting bleek hij zich voorzien te hebben van een dikke pleitnota. Echter, toen hij ergens op bladzijde 6 van zijn pleitnota was, onderbrak de Voorzieningenrechter hem . . .

“U weet toch wel dat wij dergelijke bouwzaken eigenlijk niet doen in kort geding?”

Ik heb die middag niet veel meer hoeven te doen; het werd niks met de claims van die kopers. Dat wil niet zeggen dat zij ongelijk hadden, maar een kortgedingrechter meent dan onvoldoende kennis te hebben om zo’n zaak te beslechten. Te onduidelijk en dan moet het in een langdurige bodemprocedure.

Naar mijn mening zijn rechters nog steeds te voorzichtig en terughoudend! Zo heb ik recentelijk nog meegemaakt dat zelfs een zeer deugdelijk, gedetailleerd deskundigenrapport en een architect die op de zitting alles kon toelichten, onvoldoende waren voor een kortgedingrechter die zich er heel makkelijk vanaf maakte! U weet toch . . .

En zo stond deze onderaannemer met lege handen en kon hij zijn gelijk enkel halen in een – veel te langdurige – bodemprocedure.

Reageer op dit artikel