blog

Hoe zit het met de onafhankelijkheid van de private toetser?

bouwbreed Premium

Hoe zit het met de onafhankelijkheid van de private toetser?
Suzanne van de Kerk

Het is algemeen bekend. Er is een nieuwe wet in de maak die de kwaliteitsborging in de bouw moet verbeteren. Het succes van het nieuwe stelsel staat of valt echter met het vertrouwen dat men erin heeft. En voor het noodzakelijke vertrouwen is het onder andere belangrijk dat de persoon van de kwaliteitstoetser, die een belangrijke spil is in het nieuwe systeem, voldoende onafhankelijk is.

Als sector wil je niet de discussies over je afroepen over onafhankelijkheid en partijdigheid die spelen binnen de accountancybranche. Algemeen geldt, hoe groter de afstand van de toetser, op persoons- en bedrijfsniveau, met het te controleren object, hoe kleiner de kans op rolvermengingen. Aan de andere kant, hoe groter de scheiding tussen kwaliteitstoetser en bouwwerk, hoe hoger het prijskaartje van de toets en hoe minder integraliteit in dienstverlening. Het is daarom belangrijk dat de regelgever een eenduidig maar vooral ook een proportioneel kader stelt.

De wetgever zou, wat de onafhankelijkheidseisen betreft, eventueel kunnen aanhaken op de in de wet genoemde risicoprofielen. Bij projecten met een laag risicoprofiel zou de kwaliteitstoetsing bijvoorbeeld kunnen plaatsvinden door collega’s (wel verschillende individuen) die werkzaam zijn binnen eenzelfde organisatie of juridische eenheid (het zogenoemde vierogenprincipe). Bij projecten met een hoger risicoprofiel zou een verdere scheiding nodig kunnen zijn en dienen de kwaliteitstoetsers misschien wel uit een andere juridische eenheid (toetsen door de concullega/peer review) te komen.

Waarschijnlijk komt het nieuwe wetsvoorstel, dat binnenkort ter behandeling in de Tweede Kamer komt, met meer duidelijk over de positie van de kwaliteitstoetser. Het is aan de markt om deze nieuwe rol als volwassen sector serieus op te pakken en naar beste kunnen uit te voeren.

Reageer op dit artikel