blog

Nieuw grondbeleid sluit beter aan bij de praktijk

bouwbreed Premium

Nieuw grondbeleid sluit beter aan bij de praktijk

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal ook het grondbeleidsinstrumentarium worden vernieuwd. Zowel wat betreft de plaats in de wetgeving als wat betreft de inhoud.

Wat de plaats in de wetgeving betreft, zullen de bestaande instrumenten van het grondbeleid (onteigening, voorkeursrecht en herverkaveling in het landelijk gebied) met de Aanvullingswet grondeigendom worden samengebracht in de Omgevingswet. Ook zullen deze instrumenten inhoudelijk worden vernieuwd en zal het instrument van de vrijwillige stedelijke herverkaveling aan de gereedschapskist worden toegevoegd. Invoering van het complete wetgevingspakket blijft voorzien voor 2018.

In dit artikel zal op de beoogde inhoudelijke wijzigingen worden ingegaan aan de hand van een brief (Kamerstukken II 2015/16, 27 581, nr. 53) die de minister van Infrastructuur en Milieu daarover op 25 november 2015 aan de Tweede Kamer zond.

Aan het begin van de brief maakt de minister duidelijk dat zij met de wijzigingen en aanvullingen van het instrumentarium nadrukkelijk mede het oog heeft gehad op de actualiteit: de sloopopgave in krimpgebieden, binnenstedelijke transformaties, de verwezenlijking van nieuwe woongebieden, de herstructurering van bedrijventerreinen, de aanpak van leegstaande kantoren en het behoud van aantrekkelijke winkelgebieden. Grondbeleid speelt in al deze vraagstukken een belangrijke rol. De noodzaak om de instrumenten van het grondbeleid tegen het licht te houden is nog eens versterkt door de crisis. Per onderwerp c.q. instrument geeft de brief vervolgens aan:

Zelfrealisatie

Inperking van (het recht op) zelfrealisatie wordt in de brief ‘geen begaanbare weg’ genoemd.

Onteigening

Het kabinet zal een regeling uitwerken, waarin de onteigeningsbeschikking wordt genomen én getoetst binnen de bestuursrechtelijke kolom. Gemeenten, waterschappen, provincies en de ministers die het aangaan, krijgen in de Omgevingswet zelf de bevoegdheid om te besluiten tot onteigening. De schadeloosstellingsprocedure zal vorm krijgen volgens de nieuwe civielrechtelijke procedureregels.

Voorkeursrecht

Het voorkeursrecht wordt in de Omgevingswet gehandhaafd. Wel wil de minister de positie van eigenaren verbeteren. De minister denkt daarbij aan het aanpassen van de regeling omtrent het intrekken van het voorkeursrecht.

Nu kan het voorkeursrecht ertoe leiden dat een eigenaar tot wel 16 jaar niet vrij over zijn grond kan beschikken. Dat wordt in de brief ongewenst genoemd.

Vrijwillige stedelijke herverkaveling

Het kabinet ziet stedelijke herverkaveling in de eerste plaats als een instrument van en voor eigenaren om hun initiatieven zoveel mogelijk op eigen kracht en in onderlinge samenwerking te realiseren.

Kostenverhaal

Met de stelselherziening wil de minister meer flexibiliteit bieden, zodat beter met onzekerheden en met organische gebiedsontwikkeling kan worden omgegaan. Daarbij wordt wel vastgehouden aan de huidige criteria van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid bij kostenverhaal (de zogenoemde ppt-criteria). Die criteria bieden houvast en voorkomen dat initiatiefnemers moeten bijdragen aan publieke investeringen die in een te ver verwijderd verband met hun initiatief staan.

Onderzocht wordt of het bevoegd gezag in bepaalde gevallen kan afzien van kostenverhaal, maar ook de ruimte krijgt om desgewenst het kostenverhaal goed toe te spitsen op de locatie. De minister ziet mogelijkheden voor een eenvoudiger vorm van kostenverhaal.

Planschadevergoeding

In de Invoeringswet zal de minister komen met voorstellen voor een duidelijke en voorspelbare regeling voor planschade als gevolg van het wegbestemmen van ongebruikte bouw- en gebruiksmogelijkheden.

De brief van de minister is uitgebreid en biedt inzicht in de beleidsvoornemens op het terrein van het grondbeleidsinstrumentarium. Duidelijk is dat het kabinet het niet wil laten bij een ‘technische samenvoeging’ van de bestaande regelingen, maar ook inhoudelijk een aantal wijzigingen wil aanbrengen om beter aan te sluiten bij de hedendaagse gebiedsontwikkelingspraktijk. Dat is in potentie winst voor de (bouw)praktijk, al zal het geen gemakkelijker politiek debat over de Aanvullingswet opleveren.

Dr.ir. Arjan Bregman
Verbonden aan het Instituut voor Bouwrecht in Den Haag (www.ibr.nl) en de Amsterdam School of Real Estate (ASRE)

Reageer op dit artikel