artikel

Normen/richtlijnen/gedragscodes en naleven: de verplichting en de consequenties

bouwbreed Premium 388

De wereld van het bouwen staat bol van de normen en gedragscodes. De bekendste zijn de NEN-normen, maar ook andere organisaties ontwikkelen normen, die in de bouw gebruikt worden.

Normen/richtlijnen/gedragscodes en naleven: de verplichting en de consequenties

Denk aan SBR, dat vele normen produceerde en aan de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht, dat onlangs de  Landelijke richtlijn bouw- en sloopveiligheid maakte. Ook zijn er tal van gedragscodes of gedragsregels. Ook andere economische branches zijn bekend met dit fenomeen. In deze bijdrage gaat prof. mr. dr. M.A.B. (Monika) Chao-Duivis nader in op dit onderwerp, en betrekt daarin ook de discussie rond de veiligheid in de bouw (deze bijdrage verscheen eerder in Actualiteiten Bouwrecht).

Bindende kracht?

Een belangrijke vraag bij al deze ‘alternatieve regelgeving’ (de term ontleen ik aan het boek van Y. Giesen, Alternatieve regelgeving en privaatrecht, Monografieën Privaatrecht, 2007, p. 1) is die naar de bindende kracht ervan. In welke gevallen is men aan die niet wettelijke regelgeving gebonden. Giesen onderscheidt drie gronden. De eerste is de wet: een wet kan een specifieke grondslag gegeven voor de nadere invulling van een bepaalde verplichting m.b.v. beroepsregels (Giesen, p. 60). In de bouw is daar het bekende voorbeeld van het Bouwbesluit dat op onderdelen naar NEN normen verwijst en die op die grond nageleefd moeten worden. Andere gronden van gebondenheid zijn: consensus en door middel van de open normen in het Burgerlijk wetboek (Giesen, p. 62 en p. 68). Wat de consensus betreft, gaat het er om dat bijvoorbeeld leden van een vereniging zich onderwerpen aan een bepaalde gedragscode; een voorbeeld hiervan is de gedragscode van de BNA. En wat de open normen in het BW betreft, geeft art. 3:12 de richting aan: bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening gehouden worden met o.a. de in Nederland leven rechtsovertuigingen. Die overtuigingen kunnen die zijn die in een bepaalde kring van personen, waartoe betrokkenen horen een spelen. Wie meer wil weten over de plaats van normen in het privaatrecht in Nederland kan heel goed terecht bij de Tilburgse dissertatie van M.C. Menting van 2016: Industry Codes of Conduct in a Multi-Layered Dutch Private Law, gratis te downloaden: https://pure.uvt.nl/ws/portalfiles/portal/23090135/Menting_Industry_07_12_2016_emb.pdf.

Wat betekent gebondenheid?

Over de betekenis van de gebondenheid aan de normen merkt R.P. Wijne het volgende op: ‘Met protocollering wordt een eenvormige aanpak van een bepaald medisch probleem nagestreefd. Hebben de gedragsregels, beroepscodes, richtlijnen en standaarden een bepaalde mate van actualiteit, kenbaarheid, dwingendheid, zijn zij maatschappelijk gefundeerd en opgesteld door een gezaghebbende instantie, dan zullen zij doorgaans door de rechter worden gebruikt om vast te stellen wat in de desbetreffende beroepsgroep als goed gebruik wordt gezien.’. Wijne merkt dit op in het kader van de medische wereld, maar m.i. is dit ook relevant voor de bouwwereld, (zie GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:453 BW, aant. 6, Invulling van de professionele standaard).

En hij vervolgt iets verder, t.a.p.: ‘Terzijde wordt opgemerkt dat het feit dat een richtlijn of protocol de professionele standaard invult, niet betekent dat de hulpverlener te allen tijde de richtlijn of het protocol moet volgen en dat hij in die gevallen nimmer tekortschiet. Hoewel de hulpverlener in beginsel alleen van de richtlijn of het protocol mag afwijken, indien dit in het belang van een goede patiëntenzorg is en hij enig afwijken moet kunnen beargumenteren, blijft de norm waaraan de hulpverlener zich moet houden, de zorg die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener behoort te betrachten. Vereist de norm een afwijken van de richtlijn, dan is dat geboden. De omstandigheden van het geval zijn doorslaggevend voor het oordeel van de rechter of de hulpverlener in kwestie had mogen of had moeten afwijken.’.

Wijne’s opmerkingen zijn gemaakt inzake het contractenrecht, maar zijn ook relevant in het kader van aansprakelijkheid uit hoofde van een onrechtmatige daad.

Niet-naleven van een norm en onrechtmatige daad

Een handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kan als een onrechtmatige daad worden aangemerkt, aldus art. 6:162 lid 2 BW. Het handelen in strijd met een norm die een wettelijke status heeft gekregen of die een bepaald maatschappelijk gewicht heeft gekregen kan dus betekenen dat er sprake is van een onrechtmatige daad. Of dat tot aansprakelijkheid leidt, is daarmee nog niet gezegd, er dient immers ook voldaan te zijn aan de eis van toerekenbaarheid, schade en relativiteit.

Naleven van een norm en onrechtmatige daad

Wijne merkte op – met betrekking tot het contractenrecht – dat het naleven van een norm niet betekent dat in dat geval nooit tekort geschoten wordt. In het onrechtmatige daad recht is een bekende situatie dat het handelen conform een verleende vergunning, niet vrijwaart tegen de aansprakelijkheid in civilibus. Dit is afhankelijk van de aard van de vergunning het, het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust en de omstandigheden van het geval. Zie de arresten Vermeulen/Lekkerkerker (HR 30-10-1972, NJ 1972, 278), Van Dam/Beukeboom (HR 9-1-1981, NJ 1981, 227) en Ludlage/Van Paradijs (HR 21-10-2005, NJ 2006, 418).

Dus ook al wordt een norm nageleefd: er kan toch indien voldaan is aan de vereisten van art. 6:162 BW sprake zijn van onrechtmatige daad, en wellicht aansprakelijkheid.

Hoe ver kan die aansprakelijkheid gaan?

In het kader van de discussies rond de veiligheid in de bouw (constructieve veiligheid, omgevingsveiligheid, veiligheid op de bouwplaats) hoort men vaak de verzuchting van aannemers: maar hoe ver gaat die aansprakelijkheid dan? Er moet toch een fysieke grens zijn waarbuiten aannemers niet meer aansprakelijk zijn. Men heeft dan het oog op de letterlijke fysieke omvang van het geografische gebied waarbinnen de aansprakelijkheid beperkt zou zijn. Soms wordt in dat verband betoogd, dat de grenzen die in de BWT richtlijn (hiervoor genoemd) een absolute grens zouden moeten zijn of zijn. Wat daar buiten naar beneden valt, zou dan niet voor rekening van de aannemer komen.

Die redenering is in het zicht van wat onder nummer 5 uiteen is gezet zeer discutabel. Hoe ver de fysieke aansprakelijkheid reikt, is van verschillende factoren afhankelijk. Daar komt nog bij dat art. 6:98 BW bepaalt, dat voor vergoeding slecht in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Nu staat er in de wettekst het woord ‘slechts’ en dat suggereert een beperking van de aansprakelijkheid, maar dat moet met een korrel zout genomen worden. De factoren waarmee de rechter rekening houdt met het bepalen van de omvang van de te vergoeden schade maken dat 100% aansprakelijkheid in veel gevallen een realiteit zal zijn. In de bouw waar het vaak zal gaan om letselschade (en dat is een factor van groot belang die sneller dan andere factoren tot vergaande gehoudenheid tot vergoeding aanleiding is) doet men er dus verstandig aan om niet te denken dat het met die omvang wel mee zal vallen. En men doet er goed aan de fysieke grenzen opgenomen in de Sloop- en bouwrichtlijn (waartoe men komt m.b.v. een rekenformule) wel in acht te nemen, maar naleving ervan niet te zien als een beperking van de aansprakelijkheid.


Prof. mr. dr. Monika Chao-Duivis (directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft)

 

 

 

Reageer op dit artikel