artikel

Wettelijke regeling aanneming van werk bracht ‘bevrijding’

bouwbreed Premium 532

Wettelijke regeling aanneming van werk bracht ‘bevrijding’

Op 1 september 2018 bestaat de Titel Aanneming van Werk in ons Burgerlijk Wetboek vijftien jaar. Tijd voor een terugblik én voor vooruitkijken.

In september 2003 is de Titel Aanneming van Werk van kracht geworden. De wet heeft een lange aanlooptijd gehad. In 1972 lag er een voorontwerp, in 1989 is er een tweede voorstel gekomen met een extra afdeling gewijd aan het consumentenbouwrecht. In 1993 is er een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer, die het voorstel in 2001 aanvaardde, en na aanvaarding door de Eerste Kamer kon de wet van kracht worden.

De wet bestaat uit 20 artikelen. Vergelijk dat met de UAV 2012, die uit 50 bepalingen bestaat en de UAV-GC 2005, uit 48 paragrafen bestaand. Dit is geen toeval. De reden voor de geringe omvang van de wet is inderdaad het bestaan van de algemene voorwaarden. De algemene voorwaarden vormen een vrij complete regeling van wat in het algemeen aan de orde zou moeten komen en steunen op brede instemming. Het was dus niet zo raar dat de wetgever het bij deze 20 artikelen liet.

Ik sta stil bij een paar onderwerpen waar de wet nieuws bracht.

De belangrijkste wijziging is de ‘bevrijding’ van het oude artikel 1645. Dit artikel regelde kort weergegeven de aansprakelijkheid na oplevering voor het geheel of gedeeltelijk vergaan van een gebouw. Over zo ongeveer ieder woord in die bepaling bestonden verschillende opvattingen van de geleerden terwijl ook de rechtspraak bijzonder ingewikkeld was.

Daar is art. 7:758 lid 3 voor in de plaats gekomen: ‘De aannemer is ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken’. Deze bepaling roept ook veel discussie op, maar die gaat niet over de vraag: wat staat hier?, maar over de inhoud van de bepaling.

Die inhoud staat overigens onder druk de laatste tijd. In het voorstel van de Wet Kwaliteitsborging in de Bouw wordt gebroken met het idee dat na oplevering alleen nog aansprakelijkheid zou moeten bestaan voor verborgen gebreken. Maar, zo zou ik bijna willen zeggen, die discussie gaat ergens over.

Dwingendrechtelijk

Een belangrijke wijziging was ook de dwingendrechtelijke bepaling dat de aannemer de opdrachtgever op de noodzaak van prijsverhogingen moet wijzen indien hij toevoegingen of veranderingen aan het werk wil (art. 7:755). Veel opdrachtgevers realiseren zich dit onvoldoende en voorlichting op dit punt beschermt beide partijen en voorkomt procedures.

De regeling in Afdeling 2 betreft het consumentenbouwrecht. Die regeling is van groot belang, want hij biedt een wettelijke belangrijke bescherming van de consument. Die bescherming het aangaan van de overeenkomst. Het gaat daarbij om de eis dat overeenkomsten voor de bouw van een woning schriftelijk moeten worden aangegaan (zie art. 7:766 lid 1 jo. 766).

En de tweede bescherming wordt gevormd door de bedenktijdregeling van drie dagen (art. 7:766 lid 2). Daarnaast is er nog de vijfprocent-regeling: er mag tot 3 maanden na oplevering met het oog op het herstel van gebreken 5% op de aanneemsom ingehouden worden op de laatste termijn. Voeg bij deze bescherming de praktijk van de model algemene voorwaarden en het stelsel van garantie- en waarborgregelingen en de conclusie is dat juridisch de positie van de consument in Nederland goed geregeld is en bijdraagt aan vertrouwen in de bouw.

Er is veel meer te vertellen over de wet, ook over de toekomstbestendigheid. Het Instituut voor Bouwrecht organiseert dat vanzelfsprekend. Op 7 september komen alle belangrijke onderwerpen, die zich in de praktijk doen voelen, langs. Zie: https://www.ibr.nl/activiteiten/agenda/ibr-congres-15-jaar-titel-aanneming-van-werk


Monika Chao-Duivis, directeur Instituut voor Bouwrecht, hoogleraaar bouwrecht TU Delft

Reageer op dit artikel