artikel

Veiligheid betonvloeren

bouwbreed Premium 755

Veiligheid betonvloeren

Het was zo’n mooi vooruitzicht: parkeergelegenheid op een steenworp afstand van de luchthaventerminal en – door een aantrekkelijk en rank ontwerp – een upgrade van de omgeving en entree van het ietwat anonieme Eindhoven Airport. Voordat het zover was gebeurde echter het ondenkbare. Op een warme dag in mei 2017 met de oplevering in zicht, stortte de parkeergarage bij Eindhoven Airport gedeeltelijk in. De daaropvolgende onderzoeken door TNO en Hageman/TU Eindhoven naar de oorzaak van de instorting zijn alweer enige tijd geleden afgerond. Zij wijten het probleem aan een gebrek in de toegepaste systeemvloer (onvoldoende aanhechting tussen de geprefabriceerde breedplaten en de in het werk gestorte druklaag).

In de maanden na het incident heeft het probleem zich als een olievlek over Nederland verspreid. Veel meer gebouwen zijn in het verleden voorzien van een soortgelijk vloersysteem. Welke gebouwen dat zijn, hoe het is gesteld met de (constructieve) veiligheid daarvan en of, en zo ja, welke aanpassingen moeten worden getroffen is onderwerp van onderzoek. Het probleem heeft zodoende een plek gekregen op de politieke agenda. De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft in dat verband op 31 mei jl. gesproken met een select gezelschap, waaronder BubbleDeck als leverancier van het in de parkeergarage toegepaste prefab vloersysteem, Centraal Bureau Bouwbegeleiding (CBB), de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (BWT), TNO, Hageman en de branche-organisaties Bouwend Nederland en VNconstructeurs.

Rondetafelgesprek

In het eerste deel van het gesprek kwamen de heren Plass (CBB), Ankersmit (BWT) en Dieteren (TNO) aan het woord. Volgens de heer Plass ontbreekt het aan eenduidige uitgangspunten voor ontwerp en engineering van dergelijke systeemvloeren. Er zijn onvoldoende waarborgen om fouten in de realisatiefase (uitvoering) te voorkomen. Juist in die fase komen alle aspecten van de bouw (ontwerp, engineering en uitvoering) tezamen. Het welslagen van een bouwwerk is in zijn optiek daarom sterk afhankelijk van de wijze waarop daaraan in de realisatiefase uitvoering wordt gegeven. Verder staat de beoordelingsmethodiek van gebouwen met soortgelijke vloeren ter discussie.

Ankersmit licht in zijn betoog de rol van BWT toe. De bestuursrechtelijke taak van BWT bestaat uit het handhaven en controleren van de bouwregelgeving. Dat houdt echter géén 100% controle in. BWT is gevraagd te inventariseren welke gebouwen tot de risicogroep behoren, doordat daarin een met de parkeergarage soortgelijke systeemvloer is toegepast. BWT beschikt weliswaar over gegevens (tekeningen, berekeningen etc.), die in het kader van de vergunning(aanvraag) worden verstrekt (het bouwdossier). Dit is echter géén database, die eenvoudig door het invoeren van zoektermen/kwalificaties geautomatiseerd kan worden doorzocht. Het lijkt daarom niet voor de hand te liggen dat de door de gemeentelijke diensten aangeleverde informatie alomvattend is. Ankersmit ziet hierin een taak weggelegd voor de leveranciers. Zij kunnen immers opgave doen van de afnemers van hun systeemvloeren en/of de werken waarin die zijn toegepast om zodoende beter zicht te krijgen op de werkelijke omvang van het probleem. Aan de hand van de huidige informatie zijn er overigens volgens Ankersmit maar weinig gebouwen, waarbij de ernst van de situatie noopt tot direct ingrijpen. Tot slot bepleit Ankersmit de aannemer te verplichten aan te tonen te voldoen aan de constructieve en brandveiligheidseisen en daarvoor in het bouwproces zogenaamde ‘stopmomenten’ in te lassen, zoals dat in het het verleden ook gebeurde.

De heer Dieteren van TNO ging in op het ontstaan van het probleem. Het toepassingsgebied van breedplaatvloeren is in de loop van de jaren aanmerkelijk uitgebreid. Waar breedplaten oorspronkelijk werden toegepast in woningen met kleine overspanningen en werden gelegd op de bouwmuren, is men de platen ook gaan toepassen in grootschalige utiliteitswerken met grote overspanningen waarbij de ondersteuning wordt gevormd door kolommen. De (ontwerp)grenzen van het mogelijke werden als het ware opgezocht. Dat alles heeft gevolgen voor de wijze waarop de vloerdelen worden gelegd, onderling worden verbonden en ondersteund. Daarnaast is het productieproces aangepast. Vanaf 1999 wordt er tevens zelfverdichtend beton gebruikt bij de productie van breedplaatvloeren, wat resulteert in een zeer glad oppervlak. Deze ontwikkelingen in prefab constructies, waarin Nederland mondiaal de koploper zou zijn, heeft volgens TNO geleid tot een faalmechanisme dat eerder niet is onderkend.

TNO sluit af met een opgave voor de bouwbranche. Die moet zich beseffen dat innovaties en productontwikkeling aanpassing van bestaande normen en regelgeving kunnen vergen. TNO bepleit een systeem waarbij dat mechanisme (vroeg)tijdig wordt onderkend. Voor wat betreft de beoordelingsmethodiek voor bestaande gebouwen met een soortgelijke systeemvloer, daaraan wordt (onder meer door TNO en TU Eindhoven) nog gewerkt. Zij hopen aan het eind van dit jaar de definitieve beoordelingsmethodiek te hebben bepaald.

Op de vraag of uitvoeringsfouten hebben bijgedragen aan het incident in Eindhoven kon Dieteren géén eenduidig antwoord geven. In ieder geval was de fout in de breedplaatvloer dermate ernstig, dat ook bij afwezigheid van andere (bouw)fouten de constructie het had begeven. Bovendien stort een goed ontworpen constructie niet zomaar in, ook niet als er kleine bouwfouten worden gemaakt, aldus Dieteren. Op de vervolgvraag naar de eerder (vóór instorting) geconstateerde scheurvorming in de vloeren, antwoordde Dieteren dat die zich niet manifesteerde in het ingestorte deel van de parkeergarage. Evenmin bevond die zich in het gebied waar de instorting is begonnen. Die scheurvorming heeft volgens TNO niets van doen met de instorting.

Marktpartijen aan het woord

In het tweede deel van het rondetafelgesprek werden marktpartijen aan het woord gelaten en bevraagd. De heer Wijte van Hageman bevestigt het relaas van TNO. Ook hij is van mening dat de ontwikkeling en veranderde toepassing van breedplaatvloeren, ertoe heeft kunnen leiden dat de kritische grenswaarde voor de afschuifcapaciteit werd overschreden. Géén van de bij het ontwerp, de productie, de verwerking en het toezicht op de uitvoering betrokken partijen is dit opgevallen. Bouwkundige mogelijkheden worden steeds verder opgerekt. De grote overspanningen, geringe diktes van vloeren en de beperkte hoeveelheden wapening, is volgens Wijte vergeleken met de landen om ons heen zelfs ‘relatief extreem’. Daarbij kwam ook nog eens de invloed van het gladde oppervlak van het zelfverdichtend beton op de hechting tussen druklaag en breedplaatvloer.

De heer Plug van BubbleDeck is het niet eens met de conclusies van TNO en Hageman. Afkeurend schudt hij het hoofd als TNO, Hageman en VNconstructeurs aan het woord zijn. De eindrapportages zouden volgens hem géén duidelijkheid verschaffen over de oorzaak van de instorting. De beproevingen bij TU Eindhoven, waarop de conclusies van Hageman mede zijn gebaseerd, zijn niet representatief voor de situatie in Eindhoven. Er zou meer en uitputtend onderzoek moeten worden gedaan naar het ontstaan van de instorting en de invloed daarop van ‘cruciale, fatale bouwfouten’, die volgens Plug in de uitvoering van het werk zijn gemaakt. Pas daarna kunnen er lessen worden getrokken uit het incident en bepaald worden wat er werkelijk moet gebeuren.

De heer Wijte van Hageman betwist overigens dat er in het onderzoek géén of te weinig aandacht is geschonken aan de wijze waarop de uitvoering in Eindhoven heeft plaatsgevonden. De uitvoeringsfase werd onderzocht en in het onderzoek betrokken. De beproeving bij TU Eindhoven betrof onder meer door BubbleDeck aangevoerde bouwfouten. Alles overwegende heeft dat geleid tot de in de eindrapportage geduide conclusie.

Namens constructeurs richtte de heer Gieskens zich op de rol van de ontwerper en constructeur in het ontwerp- en bouwproces. Het ontwerp is een essentieel onderdeel van de bouw. Een goed ontwerp kan door een slechte uitvoering teniet worden gedaan. Andersom kan een slecht ontwerp nooit een goed eindresultaat opleveren, hoe goed de uitvoering ervan ook heeft plaatsgevonden. Ontwerp en uitvoering zijn wat dat aangaat communicerende vaten, waarbij het één direct van invloed is op het ander. Ook Gieskens bevestigt dat met het doorontwikkelen van de breedplaatvloeren en – zoals hij dat noemt – het ‘uitrekken van het toepassingsgebied’, niet goed is opgelet en er onbewust een grens is overschreden. Gieskens is van mening dat partijen daarvan geen verwijt kunnen worden gemaakt. Om herhaling in de toekomst te voorkomen met deze en andere bouwstoffen, is verdere normalisatie en onderzoek noodzakelijk.

Tot slot

Dat de ‘gastsprekers’ voor eigen parochie preken is wellicht wat zwaar uitgedrukt, maar je kunt niet ontkennen dat de argumenten altijd wel iets te maken hebben met ieders achtergrond. Bij de één komt dit duidelijker naar voren dan bij de ander. TNO en Hageman zijn waarschijnlijk het minst gebaat bij de ene of de andere uitkomst van de discussie, ook al werden zij in eerste instantie door Eindhoven Airport en BAM ingehuurd. Een wetenschappelijk standpunt gestoeld op de uitkomsten van onderzoek en praktijkproeven is immers verifieerbaar, evenals dat het geval is met de uitgangspunten voor dat onderzoek. De onderzoekers zijn verder bepaald niet over één nacht ijs gegaan, voordat zij met resultaten naar buiten traden.

Toch lijkt het verstandig om de onderzoeksresultaten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid af te wachten om pas daarna de eindbalans op te maken. Vooruitlopend zullen er voor de gebouwen die zich in de ‘rode zone’ bevinden voorzorgsmaatregelen getroffen moeten worden. Waar direct ingrijpen niet is vereist, doet men er goed aan af te wachten welke eisen (rekenuitgangspunten) de Rijksoverheid aan de berekeningsmethodiek voor systeemvloeren als die van BubbleDeck gaat stellen. Die eisen bepalen uiteindelijk de aard en omvang van de te treffen maatregelen, als er in voorkomend geval al maatregelen nodig zijn. Naar verwachting wordt dat aan het eind van dit jaar bekend gemaakt. Als het even meezit is dan ook de Onderzoeksraad voor Veiligheid klaar met haar onderzoek en misschien kunnen we dan een eerste streep trekken onder dit dossier.


Arno Duijverman, jurist bouwrecht

Naschrift: Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven. Bovenstaande is géén woordelijke weergave van het rondetafelgesprek. Het debat kunt u integraal via deze link bekijken.

Reageer op dit artikel