artikel

‘Er zijn grenzen aan geïntegreerd werken’

bouwbreed Premium 269

‘Er zijn grenzen aan geïntegreerd werken’

Geïntegreerd werken  in de bouw levert – volgens een algemeen geaccepteerde veronderstelling – veel voordelen op. Monika Chao-Duivis wijst nu op onderzoeken die de zaken minder rooskleurig voorstellen. En ze zet vraagtekens bij de de omgevingsveiligheid. Is die wel geborgd als tegengestelde belangen tegen elkaar worden weggestreept?

Het is een algemeen geaccepteerde veronderstelling dat geïntegreerd werken in de bouw vele voordelen met zich brengt.  

De opdrachtgever is bevrijd van het zelf moeten verzorgen van een deel van de taken die vervuld moeten worden wil er een bouwwerk tot stand komen. Hij besteedt ontwerp, uitvoering en toezicht en zo mogelijk nog meer uit: de financiering, het meerjarig onderhoud en het beheer van het bouwwerk. Deze laatste aspecten laat ik voor wat ze zijn.  

Voor de opdrachtnemer is er het voordeel dat hij meer werk krijgt en dus een grotere omzet en winst kan realiseren.  

Geïntegreerd werken is efficiëner werken

Daarnaast wordt erop gewezen dat geïntegreerd werken efficiënter werken is en dat is goed voor het project als zodanig en voor opdrachtgever en opdrachtnemer. Efficiënter werken is mogelijk doordat er tijdwinst geboekt kan worden, doordat een opdrachtnemer die ontwerp en uitvoering verricht reeds in de ontwerpfase met voorbereidingen van de bouwwerkzaamheden kan aanvangen.

Dat bevordert de doorlooptijd van een bouwproject, omdat de volgtijdelijkheid van de werkzaamheden verleden tijd is. En ook is daar het technische voordeel, dat de verschillende disciplines nodig voor het uiteindelijke totstandkomen van een bouwwerk beter met elkaar kunnen communiceren over oplossingen voor problemen vanuit de gedachte dat ze mogelijk bij een opdrachtnemer werken.

De markt weet beter wat er te koop is

Geïntegreerd werken zou ook innovatie een kans bieden: want weet de markt niet beter wat er te koop is dan ingenieursbureaus van opdrachtgevers? En nog een laatste technische voordeel, dat zelden genoemd wordt, maar dat zich wel opdringt in deze context: de opdrachtnemer die belast is, met wat vroeger in de SR 1997 een ‘volledige opdracht’ genoemd werd (dat is een opdracht die alle fasen van een ontwerp en het toezicht op de uitvoering omvatte), is goed in staat om eventuele fouten in het ontwerp vroegtijdig op te sporen en te verhelpen.  

Kortom: er is op de gebieden van contractmanagement, technisch management, en innovatie sprake van winst.  

Is dat nu allemaal waar?  

Zo af en toe verschijnen wel wat donkere wolkjes aan deze blauwe hemel.  

Wat betreft de organisatorische winst en de winst inzake de innovativiteit die van Design-Construct/geïntegreerde (UAV-GC 2005) opdrachtnemers werd verwacht, wijs ik op de afscheidsrede van mijn Delftse collega, prof. ir. A.F. van Tol, De (her)waardering van de fundering, uitgesproken in september 2015.  

Hij wijst op de beperkte tijd van voorbereiden die aan DB opdrachtgevers wordt gegund leidend tot onzekerheden. Hij wijst voorts op zijn ervaring: op een enkele uitzondering na zijn de ontwerpen in grote DC contracten niet innovatief maar is er sprake van ‘proven technology’. Wat aldus Van Tol overigens begrijpelijk is gezien de grote risico’s. Maar in het verleden werd daar door de grote opdrachtgevers anders tegen aan gekeken en zag men ook de voordelen.  

Wat betreft het vermeende verlaten van de volgtijdelijkheid van de werkzaamheden (waarvan men zich overigens moet afvragen hoe erg het is dat dat niet plaatsvindt) heb ik grote aarzelingen. Uit recent Delfts afstudeeronderzoek van Nienke Weller (Process Optimization, Adjusting process phasing of the building life cycle process to the contemporary developments in the Architectural, Engineering and Construction industry) naar de fasen van een bouwproces blijkt dat het werken volgens een geïntegreerd contract helemaal niets uitmaakt. Er zijn verschillende onderscheidingen in fasen, maar geen daarvan houdt rekening met de geïntegreerdheid van de opdracht.  

Lees hier het artikel

Lees hier het artikel
In 2008 verscheen een interessante publicatie in The Construction Law International, 2008, volume 4 nr. 2, van de hand van D.E. Charrett, advocaat uit Melbourne, het artikel: Contractual lessons from construction failures. In dit artikel analyseerde hij een paar gevallen waarin grote technische tekortkomingen speelden; de gevallen werden beheerst door geïntegreerde contracten. Onderzoekscommissies concludeerden, zo wordt in het artikel uit de doeken gedaan, dat de ‘traditional route of tendering for construction of a fully developed design prepared by engineers who had made a proper and thorough study of the whole project’ de voorkeur verdiende (p. 17).  

Ook bij het hijsongeval in Alphen ging het om een geïntegreerd contract

Dichter bij huis zien we dat veiligheidsaspecten ook onder de loep worden genomen in onderzoeken. Ik wijs op het onderzoeksrapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid naar het hijsongeval in Alphen aan den Rijn in 2015. Ook daar ging het om een geïntegreerd contract. Geconcludeerd wordt dat alle betrokken partijen een blinde vlek hadden voor de veiligheid van de omgeving.  

Ik heb dus wat wantrouwen bij de beloftes van het geïntegreerde werken in de bouw en zou dat wel eens aan een goed onderzoek onderworpen willen zien. Mogelijk valt het allemaal mee en mogelijk zijn er goede oplossingen denkbaar, als het minder meevalt.  

Er is nog een punt.  

De publicaties roepen bij mij de vraag op: hoe ver kan het geïntegreerd werken reiken? Maar ook: hoe ver moet het geïntegreerde werken reiken? 

Inherent aan geïntegreerd werken is dat er compromissen worden gesloten

Een inherente kwaliteit aan geïntegreerd werken is, dat de betrokkenen bij die werkzaamheden – idealiter althans – met elkaar in overleg in gaan. Dat betekent, dat er compromissen gesloten zullen worden. Dat kan heel goed werken, zowel voor de sfeer tussen partijen als voor het fysieke werk dat verricht moet worden. Ik moge daarvoor wel verwijzen naar de ervaringen met ketensamenwerking. Ik heb thans het oog niet alleen op de bouw, maar ook op de wereld rond de bouw: het bevoegd gezag en de omgeving van de bouwplaats.  

Veiligheid mag nooit een compromis zijn

Zou alles onderwerp van compromis mogen zijn? Daar plaats ik uiteraard een serieus vraagteken bij. Als het om veiligheid gaat, zou het antwoord toch bijna absoluut ‘nee’ moeten zijn. Nu kan men zeggen, dat is ook de reden dat er met ‘proven technology’ gewerkt wordt. Op die manier loopt men geen risico. Maar de risico’s die vermeden moeten worden, hoeven niet per se alle risico’s te zijn. We willen immers ook technische- en management -vooruitgang boeken.  

Ik doel in dit artikel vooral op veiligheid en in het bijzonder de omgevingsveiligheid.  

Het risico van de omgevingsveiligheid is volgens het hijsrapport Alphen aan den Rijn -wat overdreven gezegd – een weeskind geweest. Is geïntegreerd werken daar debet aan geweest?  

Dat zou kunnen. Daarbij moet namelijk niet alleen gedacht worden aan geïntegreerd werken door de opdrachtnemer, maar – ik gaf het al aan – ook door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft bij de uitgifte van een vergunning immers veel af te wegen. Een van de af te wegen belangen is omgevingsveiligheid. Zou het niet het overwegen waard zijn, ook aan die kant het geïntegreerd werken aan een onderzoek te onderwerpen? Wat betekent dat voor de wijze waarop belangen worden behartigd, die zijn toevertrouwd aan het bevoegd gezag?  

Soms zijn tegengestelde belangen vruchtbaar

Mij lijkt dat enige tegenstelling van belangen soms vruchtbaar kan zijn. Waar alleen maar samen gewerkt wordt, wordt de behoefte aan compromissen groter. Maar zoals gezegd het veiligheidsbelang zou daar niet aan onderworpen moeten worden. Maar als een belang behartigd wordt door een partij die nog ‘tig’ andere belangen te behartigen heeft, delft dat ene belang mogelijk het onderspit.  

Het belang van de omgevingsveiligheid lijkt mij zo’n belang dat een eigen ‘champion’ nodig heeft, die onafhankelijk van de andere betrokkenen en andere belangen bij een bouwwerk voor dat belang kan opkomen. Mooi werk voor een stichting als die van onlangs opgeheven Arbouw (of diens opvolgers)?



Prof. mr. dr. M.A.B. Chao-Duivis is directeur van het Instituut voor Bouwrecht en Hoogleraar Bouwrecht aan de TU Delft.

Reageer op dit artikel