artikel

Next Economy: van label naar fabel

bouwbreed Premium 99

Next Economy: van label naar fabel

Er is – gelukkig! – een levendige discussie gestart over het belang van steden. De Agenda Stad en de Europese equivalent vormden daartoe het decor. Het Nederlandse voorzitterschap van de EU stimuleerde de informatie-uitwisseling die uiteindelijk heeft geleid tot een set afspraken in EU-verband.

Weliswaar was die discussie vooral het domein van ingewijden en belanghebbenden, iets dat ook gebeurde bij het Jaar van de Ruimte, maar dat is een beetje kenmerkend voor de omstandigheden waarbij de overheid (tegen beter weten in) de regie wil voeren over maatschappelijke aspecten waarover zij zelf eigenlijk geen (moreel) zeggenschap hebben. 

Ongefundeerd optimisme

Belangrijk evenwel was de constatering (en brede erkenning) dat steden niet alleen een onderling sterk verschillend signatuur hebben, maar ook dat de (geformuleerde) stedelijke ambities vaak mijlenver af staan van de realiteit. Er is nogal eens sprake van een ongefundeerd optimisme en van opportunistisch citymarketingbeleid. In dat verband spelen ook de (vermeende) krachten van steden en stedelijke regio’s een toonaangevende rol.

Den Haag blijkt dan ‘opeens’ onderdeel te vormen van de security delta, terwijl de werkgelegenheid toch vooral gedomineerd wordt door de aanwezigheid van de Rijksoverheid. Rotterdam, altijd goed voor een toppositie als havenstad, profileert zich als groene stad, vooral geliefd bij de audiovisuele en creatieve industrie!

Samenwerking niet in beeld

Maar niet alleen steden, ook stedelijke regio’s – netwerkmetropolen, valleys – afficheren zich opvallend en creatief, maar het is niet altijd even duidelijk op basis van welke feiten en ontwikkelingen die zijn gestoeld. Daarbij en daarnaast gaat het toch nog steeds om vooral fysieke en traditionele vormen van stedelijke economie, terwijl de kracht van samenwerking – ook/vooral in digitale zin – nog nauwelijks serieus in beeld is gebracht of onderzocht. 

Het lijkt er bij dat alles op alsof discussies over allerlei ruimtelijke issues (smart city, duurzaamheid, metropool, borrowed size enz.) vooral een semantische inslag hebben. Er bestaat immers (nog steeds) geen operationele en breed geaccepteerde definitie en dat leidt tot misverstanden en non-discussies. Dat dreigt nu ook te gebeuren met en rond het nieuw geïntroduceerde begrip “next economy”. 

Gedoemd te mislukken

De roep om scenario’s en regie, structurering en draagvlak lijkt bij dat alles relevant, maar is in wezen een tot mislukken gedoemde poging (van de overheid, maar soms ook van andere stakeholders) om greep op de ontwikkelingen en de uitkomst daarvan te houden.

De oprichting van de Metropoolregio Den Haag – Rotterdam was een sterk staaltje politieke powerplay waarbij niet alleen de provincie (Zuid-Holland) en kleinere gemeenten (Westland) het onderspit delfden, maar waardoor ook een nieuwe bestuurslaag (stapeling bevoegdheden) ontstond waarop nauwelijks (directe) en democratische controle valt uit te oefenen. Tel uit je winst! En dat in periode van (gedwongen) decentralisatie (WMO naar gemeenten) en de participatiesamenleving.

Niets aantrekken van grenzen

Het contrast tot de sterk veranderende en naar omstandigheden steeds wisselende verhoudingen, waarbij de rol van de burger/gebruiker veel meer is dan die van claimer, wordt steeds schriller. Daarbij komt dat digitalisering en circulariteit zorgen voor verschillende, steeds variërende vormen van samenwerking die zich weinig tot niets aantrekken van geografische of bestuurlijke grenzen.

De wijd verbreide opvatting dat middelgrote steden die niet ingebed zijn in enige metropoolregio het niet zullen redden, wordt in de praktijk gelogenstraft. Waarom start een bedrijf als Orange Nano anders in Heiloo? Nanotechnologie, toch een van de speerpunten van het technologiebeleid van EZ, trekt zich niets aan van de op papier zo aanlokkelijke vestigingsvoordelen elders. De ‘next economy’ komt dan ook niet uit Den Haag, noch uit de regio. Die komt vanzelf. 

Mentale afstand

Opvallend is voorts de enorme mentale afstand die er bestaat tussen beleidsbepalers en ondernemers (en al helemaal tussen beleidsbepalers en burgers) in dit opzicht. De roep om meer en betere fysieke verbindingen tussen kernsteden en netwerkmetropolen of het aanleggen van bedrijfsterreinen komt nog steeds voort uit het verleden. Het zou toch moeten gaan om adequate/duurzame verbindingen en randvoorwaarden voor dataverkeer! Maar ook om de erkenning van de grote verschillen per locatie, omstandigheden, wensen, behoeften, randvoorwaarden of investeringsmogelijkheden.

Waarom toch zo generiek blijven redeneren (en beleid maken), terwijl hoegenaamd niemand daarop zit te wachten?

Prof. dr Oedzge Atzema (Universiteit Utrecht), dr Ton van Rietbergen (Universiteit van Utrecht) en drs Robbert Coops (Coops Public Affairs)

Reageer op dit artikel