artikel

“Gemeenten zelf laten onteigenen leidt tot belangenverstrengeling”

bouwbreed Premium 110

Het is een slecht idee van minister Schultz om bij de totstandkoming van de Omgevingswet de Onteigeningswet in die nieuwe wet te laten opgaan en gemeenten de bevoegdheid te geven zelf te onteigenen. Ze hebben dan voor onteigeningsprocedures voor grond, huizen en gebouwen geen toestemming meer van de Kroon nodig.

Dit voornemen van de minister zou ingrijpende en ongewenste  gevolgen hebben. Het betekent namelijk een dubbelrol voor lokale overheden en die kan alleen maar leiden tot belangenverstrengeling.

Administratief en gerechtelijk

Onroerende zaken (meestal gronden) kunnen in het kader van projecten met een maatschappelijk belang worden onteigend. Eerst wordt in het minnelijk overleg gepoogd om het over de schadeloosstelling eens te worden. Lukt dat niet, dan start het betreffende overheidsorgaan (meestal een gemeente) een onteigeningsprocedure.

Zo’n procedure bestaat uit een administratieve en een gerechtelijke procedure. In de administratieve procedure verzoekt de gemeente de Kroon het besluit tot onteigening te nemen. Belanghebbenden kunnen vervolgens gedurende de terinzagelegging van het ontwerp Koninklijke Besluit hun zienswijzen bij de Kroon kenbaar maken. Uiterlijk zes maanden na de terinzagelegging volgt eventueel het Koninklijke Besluit tot onteigening. Al met al een zorgvuldige procedure, die ervoor zorgt dat de belangen van de burger/grondeigenaar optimaal worden beschermd.

Principiële bezwaren

Sinds 1841 is de Onteigeningswet talloze malen aangepast, waarbij er zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis steeds is gezocht naar een evenwicht tussen de wens van een bestuursorgaan tot het snel over het eigendom kunnen beschikken versus de bescherming van grondeigenaren tegen willekeur en inbreuk op hun eigendomsrecht. In het kader van dat noodzakelijke evenwicht zijn er principiële bezwaren aan te voeren tegen het bovengenoemde plan van de minister. In de voorgestane wijziging schuilt namelijk het gevaar van onzorgvuldige besluitvorming.

Het overheidsorgaan dat een onteigeningsprocedure in werking stelt, is immers als partij in veel gevallen nauw betrokken bij de bestuurlijke besluitvorming in diezelfde zaak. De gemeente wil geld verdienen door bouwgrond aan te kopen, maar moet ook een zuivere afweging maken over een onteigening. Het is wel heel lastig om in deze dubbelrol het gevaar van belangenverstrengeling te elimineren!

Rechtszekerheid

De belangen van het private eigendom dienen te worden geborgd. Vanuit het belang van het individu is het tot nu toe niet voor niets nog steeds vereist dat een besluit tot onteigening altijd onderhevig moet zijn aan toestemming/goedkeuring door de Kroon. En terecht. Het gaat hierbij over niet minder dan de kern van onze rechtsstaat: rechtszekerheid. Essentieel hierbij is het basisprincipe dat de burger recht heeft op eventueel noodzakelijke bescherming tegen de overheid. Dit belang neemt alleen maar toe door het steeds omvangrijker en alom vertegenwoordigd zijn van de overheid.

Gering aantal zaken

Naast deze principiële benadering is er ook een meer praktisch argument om af te zien van het idee van Schultz van Haegen. Omdat het maar in een heel gering aantal zaken daadwerkelijk tot een onteigeningsprocedure komt, is er ook daarom geen zwaarwegende reden om de huidige systematiek aan te passen. Immers: in 99 procent van de gevallen lukt het de overheid om met grondeigenaren tot overeenstemming te komen, zónder het voeren van een procedure.

Al met al genoeg redenen om niet toe te staan dat een gemeente of ander overheidsorgaan zelf zal mogen beslissen om te onteigenen, waardoor de rechtszekerheid van de grondeigenaar fundamenteel zou worden aangetast.

Ingenieur Paul Kindt, rentmeester bij advies- en ingenieursbureau LBP|SIGHT

Reageer op dit artikel