artikel

Bottom-up heeft ook verdienmodel nodig

bouwbreed

Bottom-up heeft ook verdienmodel nodig

Het is u misschien niet opgevallen, maar toen u op 1 januari wakker werd, was de Vinex afgerond. 2015 is immers de stip op de horizon waar in de Vierde Nota en de Vierde Nota Extra naar toe werd gewerkt. ‘Op weg naar 2015’, stond er op omslag van het boekwerkje. Opvallend genoeg blijkt 2015 ook een eindstation te zijn van de traditie van grote plannen. Een spectaculair einde: vinex is een synoniem geworden voor de jaren ’90 en de vinexwijk is het voorlopig laatste staaltje blauwdrukplanologie van Nederland. De nieuwe opgave is veel minder grootschalig en meer gericht op vervanging en verbetering van de bestaande voorraad.

De manier waarop die nieuwe opgave vorm krijgt, lijkt niet op de manier waarop begin jaren ’90 werd gewerkt. De top-down-nota’s van het Ministerie van VROM zijn vervangen door een overheid die het aan burgers zelf over wil laten. En dan wordt het lastig. Want hoe organiseer je van boven af dat er van onderop iets wordt gedaan? Het is een wonderlijke tegenstelling waarbij de overheid sterk naar de burger kijkt. Bottom-up staat voor de overheid (en veel ruimtevolk daarom heen) gelijk aan burgerinitiatieven waarbij de bewoner echt centraal staat. De particulier moet het initiatief en vooral de ruimte krijgen, zonder al teveel van overheidswege opgelegde beperkingen. Zelf meedenken, investeren en bouwen zou leiden tot een cumulatie van kleine initiatieven, al dan niet samen met anderen.

Sterven in schoonheid

Overal in het land zijn voorbeelden te vinden waar burgers met hart en ziel proberen hun eigen omgeving mooier en beter te maken. Dat doen die burgers vaak voor niets. Uit idealisme. Soms in combinatie met een welbegrepen eigenbelang. Met andere woorden, burgers dienen met het project een middellange en lange-lange-termijnbelang. Maar heel zelden wordt ook een korte-termijn-belang gediend. En juist dat is de dood in pot voor veel van die projecten. Want korte-termijn-belang staat gelijk aan geld verdienen. Met andere woorden, als het heel sec bekijkt, zijn deze projecten een hobby voor de initiatiefnemers. Dat is niet onaardig bedoeld, ik weet uit eigen ervaring hoe veel bloed, zweet en tranen het kost om iets nieuws op te zetten. En dat dat alleen lukt als je er volledig voor gaat, als je werk je hobby wordt. Maar voor een blijvend succes is meer nodig. Want uit de praktijk blijkt dat veel bottom-up-projecten sterven in schoonheid. omdat de initiatiefnemers op ten duur hun interesse verliezen. Een andere hobby vinden. Of voor hun zieke moeder moeten zorgen. Dat voorkom je als die hobby ondertussen is omgezet in werk, als er een solide verdienmodel onder zit.

Het Koppelhuis in Amersfoort

Dat is niet gemakkelijk, weet ik uit het Kennislab voor Urbanisme, waar we van onze studenten verwachten dat ze in vijf maanden én een vernieuwend idee bedenken én het opleveren met een begroting. Dat lukt lang niet altijd. Maar in de gevallen dat het wel lukt, leidt het tot start-ups en blijvend gemotiveerde jonge ondernemers. Zo is het Koppelhuis ontstaan, een initiatief waarin de behoefte van ouderen om nuttig te zijn wordt gekoppeld aan de andere behoeften in de wijk. Het verdienmodel is geïnspireerd op dat van de studentensociëteit. Of ZorgToGo waarin het zorgen voor zorgbehoeftige ouders wordt georganiseerd via de principes van datingsites.

Niet vanzelfsprekend

Dat het niet gemakkelijk is, is niet erg. Ons werk in het lab hoeft ook niet gemakkelijk te zijn. Wij denken dat Nederland gebaat is bij meer ondernemers en daarom zetten we ons daarvoor in. En dat doen we in een cultuur waarin ondernemerschap niet vanzelfsprekend is. Dat zie je aan het feit dat er in Nederland opvallend weinig durfkapitaal wordt geïnvesteerd. Je merkt het aan banken die bang zijn voor risico. Je ziet het in het Nederlandse hbo en wo, waar studenten niet leren te werken met verdienmodellen en er geen aandacht wordt besteed aan iets simpels als het maken van een begroting.

Haalbaarheid is niet relevant. Je ziet het ook aan een overheid die ondernemerschap niet helemaal begrijpt. Die het vanzelfsprekend vindt dat burgers gratis en voor niets lastige stukken stad oppept. Dat is vreemd, want aan de realisatie van de grote vinex-opgave is door veel partijen veel verdiend. Waarom moet het dan nu gratis? Maar als gemeentes niet begrijpen dat het om people, planet én profit gaat bij bottomup-gebiedsontwikkeling, als ze niet inzien dat een gezond project ook een gezonde begroting moet hebben, dan kunnen ze zich er beter helemaal niet mee bemoeien. Het onbegrip van de overheden op dit punt vertraagt de transitie. Als ondernemen en geld verdienen een vies woord blijft, verandert er nooit iets. En dat mag, maar blijf het dan lekker top-down doen.

Jan-Willem Wesselink, hoofdlaborant in het Kennislab voor Urbanisme en directeur Kennis & Ontwikkeling bij Elba-Rec

Reageren op dit artikel? Dat kan via redactie@cobouw.nl of op Twitter via @JWWesselink

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels