artikel

Schade aan gebouwen door bouwwerkzaamheden

bouwbreed Premium

Schade aan gebouwen door bouwwerkzaamheden

Begin september is een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland verschenen over schade aan gebouwen door gaswinning. In deze uitspraak is geoordeeld dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aansprakelijk is voor schade bestaande uit waardevermindering aan onroerende zaken in gebieden in Groningen waar door bodemdaling aardbevingen voorkomen.

Die uitspraak heeft betrekking op schade door gaswinning, en dus niet op schade die het gevolg is van bouwwerkzaamheden. Toch bevat het vonnis overwegingen die relevant zijn voor het bouwrecht. In de bouwwereld doen zich namelijk soortgelijke zaken voor, waarbij door het uitvoeren van bouwwerkzaamheden schade ontstaat aan andere gebouwen. Eén van de bekendste voorbeelden hiervan is de verzakking van panden in Amsterdam door werkzaamheden bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn.

Wanneer een benadeelde iemand aansprakelijk stelt voor schade aan zijn gebouw, zal hij zich in beginsel moeten beroepen op een onrechtmatige daad van die persoon. In de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland konden de benadeelde partijen een geslaagd beroep doen op een speciaal wetsartikel over mijnbouwwerkzaamheden waarop de aansprakelijk van NAM gebaseerd kan worden. Toepassing van het artikel over onrechtmatige daad werd daarom achterwege gelaten. De discussie spitste zich toe op een ander onderwerp: de schade en het causaal verband tussen de schade en het handelen van NAM.

In algemene zin geldt dat het aantonen van een causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige daad voor de benadeelde lastig kan zijn. In sommige gevallen zal het verband tussen bepaalde schade en bouwwerkzaamheden voor de hand liggen. De enkele stelling dat schade zich heeft voorgedaan sinds het begin van bepaalde werkzaamheden is echter niet zonder meer voldoende. Mogelijk kan een deskundige vaststellen dat het schadebeeld een typisch gevolg is van de gebruikte bouw- of sloopmethodiek.

In de aardbevingszaak speelde nog een ander, bijzonder aspect. Kunnen de benadeelde partijen waardevermindering van gebouwen in het hele aardbevingsgebied claimen? Deze vraag liet zich niet eenvoudig door de rechter beantwoorden, omdat de waarde van woningen wordt bepaald door veel verschillende factoren, zoals de financiële crisis en de aanwezigheid van krimpgebieden.

Dit type omstandigheden kan nopen tot voorzichtheid bij het onderzoeken van de oorzaken van waardedalingen. In de zaak van de Groningse aardbevingen bleek uit taxatierapporten en verklaringen van makelaars dat zij bij taxaties rekening hadden gehouden met de omstandigheid dat een woning gelegen is in een gebied waar aardbevingen voorkomen. Bovendien bleek uit onderzoek dat in de beleving van zowel bewoners als mensen van buiten de regio sprake was van een negatief effect op de woningmarkt in het aardbevingsgebied. De rechtbank oordeelt daarom dat ten aanzien van in beginsel alle woningen in het getroffen gebied – ook indien er (nog) geen sprake is van fysieke schade – de mogelijkheid van schade als gevolg van door gaswinning veroorzaakte aardbevingen aannemelijk is.

Bij bouwwerkzaamheden zal er minder snel sprake zijn van schade aan een zo grote groep van gebouwen als in de aardbevingszaak. Evenmin zal dan snel sprake zijn van waardevermindering van gebouwen die (nog) niet fysiek beschadigd zijn, maar die wel in een gebied liggen waar op grote schaal sprake is van door de werkzaamheden veroorzaakte waardevermindering. In zoverre is de hier besproken aardbevingszaak uniek. De uitspraak geeft echter wel een indruk van de omstandigheden die een rol kunnen spelen bij het vaststellen van schade en het causaal verband.

De hier besproken vragen zijn zoals gezegd zeer relevant voor bouwrechtjuristen. Op 4 november is er daarom een door het Instituut voor Bouwrecht georganiseerde studiemiddag gewijd aan het onderwerp bouwwerkzaamheden en schade aan gebouwen. De vele interessante juridische vragen die spelen rond dit onderwerp, zoals die over de grondslagen van aansprakelijkheid, de verschillende soorten schade en de mogelijke aansprakelijke partijen, komen dan aan bod.

Mr. Hugo Strang

Juridisch stafmedewerker Instituut voor Bouwrecht

Uitspraak: Rb. Noord-Nederland 2 september 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:4185

Voor bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website van het Instituut voor Bouwrecht: www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel