artikel

Blog: Het wei-gevoel

bouwbreed Premium

Zo af en toe verblijf ik in Drenthe, dichtbij de bossen, waar ik de geur van koeienmest ruik en altijd vriendelijk word geholpen in welke willekeurige winkel dan ook. Het is een andere wereld dan mijn woonplaats: Maarssenbroek. De Vechtstreek, in een standaard rijtjeshuis. Drie slaapkamers op de eerste verdieping, een tuintje.

Ik ben vooral blij met onze tuin. Barbecuen in de zomer, een trampoline voor mijn kinderen. Het vrije uitzicht op, de in mijn dorp populaire, populieren die het geluid van langsdenderende treinen dempen. Het uitzicht op het Amsterdam-Rijnkanaal, waar ik de nieuwe brug van Breukelen de weken zag overbruggen voor hij naar zijn nieuwe eindbestemming ging. Ik mag mijn handen dichtknijpen.

Dakkapel

Ben ik tevreden over m’n eigen huis? Ja. Het was een corporatiewoning. We kochten het een jaar of tien geleden voor een prikkie. Maar ik moet wel zeggen: het was een opknappertje. Er kwam een dakkapel. En nog een dakkapel. Een nieuwe keuken. Drie keer dubbelglas, boven en beneden. Een andere wc. “Goed voor twintig banen”, zou het Economisch Instituut voor Bouwnijverheid becijferen – maar dat terzijde.

Muurvast

Tevreden dus. En toch denk ik vaak na over de ontbrekende keuzevrijheid. Want als ik wil verhuizen, en dat kan volgens de bank en de standaardhypotheekregels, vraag ik me af: waar moet ik naar toe? Voor die ton meer aan hypotheek ga ik er in mijn omgeving nergens en nauwelijks op vooruit. Misschien een iets bredere woonkamer, maar dan houdt het echt op. En dan kijk ik bovendien bij mijn nieuwe buren naar binnen. Dat is niet altijd aangenaam.

We staan niet onder water, dus we kunnen zo  onze spullen pakken en verhuizen naar Drenthe. Dat doen we dus niet. We wonen namelijk in de buurt van onze ouders en vrienden en dat is ons meer waard dan lekker eten en gratis oppas alleen. Het is ook dat wij-gevoel.



Gelukkig met boerenverstand


Wij kunnen dus geen kant op. En daarom zijn we tevreden met de meters die we hebben. Met de tuin. En met ons uitzicht. Met het assortiment van Gamma, Praxis of Hornbach. En als we iets meer rust in de kop willen hebben, dan ‘reizen’ we naar Drenthe. Of karren we met ons autootje door de polder van Vleuten, richting de speelboerderij waar boeren kaas maken en varkens slachten, pannenkoeken verkopen en kinderen op pony’s laten rijden. Het wei-gevoel.

Ons weiland staat weer ter discussie, heb ik vernomen. We moeten er bouwen. Anders dreigt er een tekort aan woningen. Iedereen wil immers een grondgebonden huis met tuin en drie slaapkamers op de eerste etage, zo klinkt het. Mag ik even blij zijn dat ik bij die doelgroep hoor.

Slap

Nee hoor. Het is mij te gemakkelijk. Aandringen op bebouwing buiten de bebouwde kom als het even tegenzit, vind ik een slap excuus. En niet alleen omdat het meestal bouwen in het zompige moeras betreft. Bovendien kun je je afvragen of het concept familie niet volstrekt achterhaald is. Er bestaan kinderloze geliefden die geen nieuwbouwhuis kunnen vinden zónder drie slaapkamers en een tuin…

En daarbij: moet het huis van de toekomst niet gewoon grondóngebonden zijn? Verplaatsbaar zijn? Kunnen vliegen? Bestemmingsloos? Ik wil maar aangeven. Volgens mij zijn er lege gebouwen zat. Met een beetje creativiteit kun je er wonen. En met een beetje geluk heb je dan ook nog uitzicht op een snelweg. Of op een weiland.

Kuddegedrag

‘Never waste a good crisis!’ Ik heb het iedereen horen zeggen. ‘Creëer waarde!’ ‘Terug naar de stad.’ Het was één grote leugen. Want als er één schaap over de dam is, volgen er meerdere. Tot ze voorgoed weg zijn. En wij individualisten het wei-gevoel kwijt zijn.

Thomas van Belzen is onderzoeksjournalist en politiek verslaggever van Cobouw. In deze blogserie ‘De klant is woning’ onderzoekt hij of de Nederlandse woonconsument tevreden is en wat hij verwacht van bouwers.

Wilt u reageren op deze blog? Mail dan naar t.v.belzen@cobouw.nl of reageer via Twitter @ThomasvanBelzen.

Reageer op dit artikel