artikel

Blog: Fanaten die de gebruiker vergeten

bouwbreed Premium

Blog: Fanaten die de gebruiker vergeten

De jacht op nieuws die inherent is aan het vak van journalist leidt soms tot rare toestanden. Als techniekjournalist volg je fanatiek, maanden- of soms jarenlang een bouwproject, maar als het dan af is kom je er nooit meer. Want het volgende project dient zich aan.

We zijn als Cobouw nou eenmaal geen architectuurblad. We willen vooral in de bouwfase projecten bezoeken en verslag uitbrengen van de noviteiten die we daar tegenkomen. “Op het moment dat je geen helm meer op hoeft en veiligheidsschoenen aan, is het voor ons niet interessant meer”, zeggen we wel eens tegen elkaar. Openingsfeestjes laten we daarom vaak schieten. Ze zijn goed om te netwerken, maar hard nieuws leveren ze meestal niet op.

Er zijn heel wat gebouwen die ik in allerlei stadia van de bouw heb bezocht, maar daarna ook nooit meer. Van sommige iconen van bouwkunst weet ik precies op wat voor palen ze staan en wat voor vloeren er zijn toegepast, maar na voltooiing ben ik er nooit meer geweest.

Daarom vind ik het zo prettig dat ik ben gevraagd om zitting te nemen in de jury van de Gyproc Trophy. De fabrikant van gipsproducten organiseert om het jaar een wedstrijd voor afbouwbedrijven die het werken met gipskartonplaten, stuc en andere gipsproducten tot grote hoogte hebben ontwikkeld. Ik hoef eens een keer geen helm op, maar mag kijken naar het eindresultaat van al die noeste arbeid waar ik normaal met mijn neus bovenop sta.

De eerste selectie van kandidaten voor de Gyproc Trophy vindt plaats vanaf papier. De afbouwbedrijven sturen documentatie in van projecten waar ze trots op zijn. De rapportages zijn niet allemaal even helder, maar daar probeer je als jury doorheen te kijken. Het is immers niet gezegd dat de firma die het fraaiste rapport opstelt ook het beste overweg kan met spackmes en schuurbord. Het leidt tot een shortlist van vijf van de twintig ingestuurde projecten. Die gaan we stuk voor stuk bezoeken.

Met de vijfkoppige jury crossen we met een busje in een dag van Vianen naar Hilversum naar Amsterdam naar Spijkenisse naar Den Bosch, naar Helmond om weer te eindigen in Vianen. Onderweg zien we drie transformaties, een ingrijpende renovatie en een nieuwbouwproject. We worden steevast ontvangen door het afbouwbedrijf, de hoofdaannemer, de architect en vaak ook de gebouweigenaar. Een dag lang kloppen we op elk gipsdetail dat we tegenkomen, speuren naar verborgen dilataties en zoeken strijklicht op, omdat dat zo genadeloos de oneffenheden in de afwerking zichtbaar maakt. Een interessante ervaring.

Ik kom ook gebruikers tegen van de gebouwen. Want de projecten zijn stuk voor stuk opgeleverd en in gebruik genomen. “Dat is waar ook” schiet het door me heen. “Gebouwen worden voor gebruikers gemaakt”. Ik schaam me een beetje voor de gedachte.

Een paar dagen later ben ik alles weer vergeten. De dagelijkse routine heeft weer bezit van me genomen, helm en veiligheidsschoenen zijn onafscheidelijke metgezellen en ik bezoek weer werk in uitvoering. Dan sla ik, tussen twee bouwputbezoeken door, mijn eigen krant op en lees dat ze in Canada een speciaal keurmerk voor gezonde gebouwen in het leven hebben geroepen. “De focus op alleen het energiegebruik of giftige gebouwen is iets voor fanaten,” beweert initiatiefnemer Thomas Muelller. Er zijn al plannen om het keurmerk ook naar Nederland te halen.

Ik realiseer me dat ik ook zo’n fanaat ben. En dat ik de plank daarmee mis sla. Meteen daarna dringt het besef door dat ik bij lange na niet de enige ben. De bouw wemelt van de fanaten. Anders was dat keurmerk natuurlijk niet nodig. “Gebruikers daar gaat het om”, hoor ik Mueller zeggen. Die moeten prettig en gezond kunnen werken in een gebouw. Daar hoort een goede afwerking bij, maar ook gezond eten in de kantine, goede ventilatie, daglicht. Ik prent het mezelf ook nog maar eens in: “ Het draait om gebruikers.” Een waarheid als een koe natuurlijk, die me echt al tijdens menig bouwcongres in ander verband is voorgespiegeld.” Ik neem me stellig voor het niet meer te vergeten.

Ad Tissink, journalist Cobouw 

Volg Ad Tissink via twitter

Reageer op dit artikel