artikel

Validatie prima, maar dan wel proportioneel

bouwbreed Premium

Het verificatie- en validatiesysteem dat het Rijk hanteert voor de beoordeling van utiliteitsbouwprojecten werkt niet optimaal. Als je zo’n systeem wilt, maak ‘t dan specifiek voor de utiliteitsbouw én zorg dat het recht doet aan de omvang en complexiteit van het project, vinden Rob Stark en Christiaan de Wolf. Alleen dan kan de winst die het Rijk met het systeem beoogt, ook echt worden behaald.

Iedere bouwadviseur krijgt er vroeg of laat mee te maken: het verificatie- en validatiesysteem dat het Rijk hanteert voor de beoordeling van utiliteitsbouwprojecten. Inhoudelijke kennis bouwt de rijksoverheid steeds verder af. Niet langer het ontwerp zélf wordt beoordeeld, maar de systematiek die ingenieurs, architecten en adviseurs zelf hanteren om hun werk te controleren. Ofwel: het Rijk controleert of marktpartijen zichzelf goed controleren. Die omschakeling in de beoordeling van inhoud naar proces komt voort uit het streven van meerdere kabinetten om meer taken en verantwoordelijkheden – en vooral de bijbehorende kosten – naar de markt te verschuiven. Maar in de praktijk hapert de uitwerking, blijkt inmiddels.

Zo ontbreekt een specifieke utiliteitsbouw-aanpak. Het huidige systeem is geschoeid op de systems-engineerings-aanpak uit de gww-sector. En dat werkt niet. Het aantal onderdelen, handelingen en betrokken partijen is bij gebouwen namelijk veel groter. Tot in detail moeten partijen nu van iedere handeling in iedere fase aangeven hoe ze ermee omgaan, wie er verantwoordelijk voor is, hoe er gecontroleerd wordt, door wie en wanneer, wat de risico’s zijn, hoe die worden ingeperkt, etcetera. Dat traject is zeer tijdrovend en loopt dus ook behoorlijk in de papieren. Dat loopt zelfs zo in de papieren dat het niet meer in verhouding staat tot de opdracht zelf, zeker als het om relatief kleine, eenvoudige klussen gaat. Te ingewikkeld, te duur, te complex. Soms kost het verificatie- en validatieproces evenveel tijd als het maken van het ontwerp zelf. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Zelf waren we onlangs betrokken bij een rijksproject van zo’n 5000 vierkante meter. Daarvoor zou aanvankelijk, zo verwachtte de opdrachtgever, hetzelfde systeem kunnen worden gehanteerd als voor grote infrastructurele projecten. Partijen die ISO 9001-gecertificeerd zijn, zouden eenvoudig en zonder veel extra tijd in het verificatie- en validatiesysteem passen, zo dacht het Rijksvastgoedbedrijf. Maar dat was niet zo. Met het volledige ontwerpteam hebben we vervolgens een eigen, minder uitgebreide spreadsheet gemaakt dat uiteindelijk prima bleek te werken, vond ook de opdrachtgever. Maar het gevaar is nu dat iedereen uit onvrede zelf met eigen spreadsheets komt. In dat geval wordt het doel van het Rijk – een eenvormig, eenduidig kwaliteitssysteem – tenietgedaan.

Wildgroei aan aanpassingen en eigen systemen is echter alleen te voorkomen als het verificatie- en validatiesysteem om te beginnen recht doet aan het ontwerp- en bouwproces bij utiliteitsbouw. Vervolgens moet er ook sprake zijn van proportionaliteit. Ofwel, zorg dat het soort project, de omvang en de complexiteit erin tot uitdrukking komen. Zo vraagt een laboratorium van 10.000 vierkante meter een andere aanpak dan een loods van dezelfde omvang.

Laten we als ontwerpers, adviseur en ingenieurs samen met het Rijk de handschoen oppakken om zo’n proportioneel verificatie- en validatiesysteem te ontwikkelen. Een systeem dat voorkomt dat marktpartijen voortdurend door hoepels moeten springen die niets aan de feitelijke kwaliteit bijdragen, maar die partijen wél op kosten jagen. Maar ook een systeem dat het voor de rijksoverheid mogelijk maakt om aan haar doelstellingen te voldoen.

Ing. Rob Stark, constructief ontwerper en directeur-eigenaar van IMd Raadgevende Ingenieurs (r.stark@imdbv.nl)

Christiaan de Wolf, architect bij Cepezed

Reageer op dit artikel