artikel

Plannen voor privaat toezicht onvoldoende doordacht

bouwbreed Premium

Minister Blok wil dit jaar een voorstel voor een Wet kwaliteitsborging voor het bouwen bij de Tweede Kamer indienen. Kern van dit ontwerp is dat taken van de gemeente worden overgeheveld naar de private sector en de aansprakelijkheid van de bouwer wordt verruimd. Blok denkt hiermee de bouw een kwaliteitsimpuls te geven.

Incidenten als vallende gevelplaten, neerstortende balkons of instortende daken laten zien dat constructieve veiligheid het afgelopen decennium een belangwekkend thema is. Over een aantal problemen is men het in de bouwwereld wel eens, in ieder geval bij complexe bouwprojecten. Het gaat daarbij deels om tekortkomingen die in 2008 ook al door de commissie-Dekker zijn gesignaleerd. Zo moeten voor gemeentelijke bouwplantoetsing (soms forse) leges worden betaald. Tegelijkertijd worden lang niet alle fouten die in een bouwproces worden gemaakt, door de gemeente geconstateerd. Tijdens het bouwproces zelf vindt onvoldoende afstemming plaats tussen betrokkenen. Ten slotte kunnen bouwende partijen zich te gemakkelijk onttrekken aan hun verantwoordelijkheden voor veilige bouwwerken en zijn zij in beperkte mate aansprakelijk voor bouwfouten.

Erkend zijn

De minister lijkt er van overtuigd dat alles ten goede gaat veranderen als hij zijn zin krijgt. In zijn ontwerpvoorstel is het in de toekomst niet meer de gemeente die controles bij bouwprojecten uitvoert, maar worden die vanaf het begin tot eind gedaan door een private kwaliteitsborger. Die moet zijn erkend zijn door een branchevereniging of een andere gezaghebbende private organisatie. De kwaliteitsborger voert controles uit volgens een methode die is goedgekeurd door een nog op te richten nieuwe overheidsinstelling, in het voorstel prozaïsch aangeduid met ‘toelatingsorganisatie’. Degene die wil bouwen kiest vooraf een kwaliteitsborger en een methode, die vervolgens aan de gemeente ter goedkeuring worden voorgelegd. Als een bouwwerk klaar is, hoeft de gemeente, anders dan nu het geval is, alleen nog maar te bekijken of de kwaliteitsborger bij oplevering heeft verklaard dat het bouwwerk voldoet aan de bouwtechnische eisen en of controles conform de voorgeschreven methode zijn uitgevoerd.

Kern van het probleem

De voorstellen van de minister hebben ook betrekking op aansprakelijkheid van de aannemer. Als het aan de minister ligt, kan een aannemer die aansprakelijk wordt gesteld als een opgeleverd bouwwerk een gebrek vertoont dat de opdrachtgever bij de oplevering niet heeft gezien, bij de rechter niet meer wegkomen met het verweer dat de opdrachtgever dit bij de oplevering had kunnen onderkennen.

Kern van het probleem in de bouw is dat de gemeentelijke overheid te weinig ziet wat mis gaat en dat in de bouwpraktijk zelf niet effectief genoeg wordt samengewerkt. Het valt daarom niet te verwachten dat de plannen van de minister leiden tot een grote sprong voorwaarts in termen van kosten en kwaliteit. Het overhevelen van kwaliteitsborging van gemeenten naar private instanties kan alleen wat opleveren als er een gezonde marktwerking ontstaat op het gebied van de kwaliteitsborging. En dat is geen concurrentie op het gehoor geven aan verlangens van bouwers zo weinig mogelijk last van controles te ondervinden. Dat is juist concurrentie op het tijdig signaleren van tekortkomingen.

Te vaak papieren toezicht

Een toelatingsorganisatie zal een sterk mandaat moeten hebben en goed met mensen en middelen moeten zijn uitgerust, wil het hieraan voldoende tegendruk kunnen bieden. Ervaringen met overheidstoezicht op private toezichthouders elders heeft laten zien dat dit vaak te veel papieren toezicht is en dat sancties nogal eens te licht zijn. Laten de minister en de Tweede Kamer dus gewaarschuwd zijn.

Verder schiet het voorstel van de minister om aansprakelijkheid van aannemers te verruimen tekort. Een goede wettelijke regeling voor bouwkwaliteit prikkelt álle bouwpartijen, de ontwerper, bouwer, installateur, constructeur etc., tot het nemen van verantwoordelijkheid voor bouwkwaliteit. Wat nodig is zijn impulsen voor betere afstemming, informatieoverdracht en communicatie tussen de actoren in de bouw. De bouwpraktijk zelf is al jaren bezig om met verschillende technieken, zoals bouwinformatiesystemen, hierin verbetering aan te brengen. Het zou goed zijn als de minister hierop voortbouwt in zijn voorstellen.

Richard Neerhof , universitair hoofddocent bestuursrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam, en Stéphanie van Gulijk, universitair docent privaatrecht aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel