artikel

Omgevingswet behoeft enkele wijzigingen

bouwbreed

Omgevingswet behoeft enkele wijzigingen

Het wetsvoorstel Omgevingswet is naar de Tweede Kamer verzonden. Het is een mijlpaal in het wetgevingsproces. Aan de hand van de nog uit te werken Invoeringswet, Algemene Maatregelen van Bestuur, digitalisering en de (gemeentelijke) omgevingsplannen moet duidelijk worden hoe een en ander uitpakt voor burgers en bedrijven.Jan Fokkema en Nicolette Zandvliet stellen een paar wijzigingen voor.

Het wetgevingsproces is nu erg gefixeerd op bestuurlijke haalbaarheid en besteedt nog nauwelijks aandacht aan de positie van burgers en bedrijven. In het nieuwe stelsel komt meer ruimte voor flexibiliteit, een integrale aanpak en afwegingsruimte op lokaal niveau. Gemeenten krijgen onder andere via het omgevingsplan, omgevingswaarden en het programma vrijheid om het kwaliteitsniveau van de leefomgeving vast te stellen en te bepalen hoe zij daarnaartoe willen werken. Die flexibiliteit is mooi, want zij geeft ruimte voor lokale afwegingen, maar kent ook een keerzijde: het risico van de lokale kop.

De Omgevingswet is vooral een kapstok geworden, waar vervolgens sectorale regels aan gehangen worden. Eerste voorbeelden hoe dat in zijn werk zal gaan, bieden de publicatie van de consultatieversie van de nieuwe Erfgoedwet en van de nota van wijziging van het wetsvoorstel natuurbescherming. Daarmee ontstaat een steeds beter beeld van de geest, doelstelling en mogelijkheden van de stelselwijziging. Er blijven veel vragen over, maar de eerste indruk is dat er geen aandacht is besteed aan voorspelbaarheid, uniformiteit en beperking van regelgeving. Initiatiefnemers worden straks op lokaal mogelijk eerder met meer dan minder regels geconfronteerd. Het verdient daarom aanbeveling minimaal de volgende wijzigingen door te voeren:

1) Om voorspelbaarheid te bevorderen, zouden ook gemeenten verplicht moeten worden een omgevingsvisie vast te stellen. Dan is helder waar de gemeente haar prioriteiten legt. Bijvoorbeeld bij sociale woningbouw, werkgelegenheid of natuur. Hieraan zou dan een uitvoeringsparagraaf verbonden kunnen worden waarin staat hoe men deze visie uit wil gaan voeren.

Overbodig

2) Programma’s en de programmatische aanpak zijn met bovengenoemde uitvoeringsparagraaf overbodig, behalve wanneer zij door Europa vereist worden. Zij zijn te ingewikkeld, dienen de rechtszekerheid niet en dragen niet bij aan de voorgenomen reductie van het aantal planfiguren.

3) Het wetsvoorstel zet onnodig zwaar in op monitoring, ook waar dat Europeesrechtelijk niet verplicht is. Het laat bovendien volledig open wat de consequenties van de uitkomsten voor initiatiefnemers zijn.

4) Het huidige artikel 122 van de Woningwet verbiedt gemeenten contractueel hogere eisen te stellen dan in het bouwbesluit vastgelegd. Het voorgestelde art. 23.6 Omgevingswet bevat een versmalling in plaats van de benodigde verbreding; o.a. omdat bruikbaarheid en bescherming van het milieu er niet onder vallen. Wij vinden dat er een algemene regel moet komen dat gemeenten, provincies en rijk op geen enkele wijze via contracten of via instructienormen, algemene regels of door middel van instrumenten (zoals bijvoorbeeld het programma, de vergunning of het omgevingsplan) hogere eisen of omgevingswaarden mogen stellen dan reeds in andere regels vastliggen. Kortom: een algemeen verbod op een lokale kop.

5) De Omgevingswet brengt niet de benodigde verduidelijking van het begrip provinciaal belang. Dit leidt tot onduidelijkheid en een gebrek aan legitimiteit. Op het gebied van soorten- en gebiedsbescherming (natuurwetgeving) krijgen Provincies straks bijvoorbeeld vrij spel. Wij beschouwen dat als onwenselijk.

6) In de praktijk blijkt de ladder voor duurzame verstedelijking in plaats van een procesvereiste tot materiële norm te verworden. Projecten liggen onnodig stil, de druk op de rechterlijke macht neemt nodeloos toe en onderzoekslasten stijgen significant door dit instrument. Tot een wezenlijk andere ruimtelijke afweging leidt het instrument echter niet; zeker niet waar het gaat om binnenstedelijk gebied. Provinciale verordeningen en (de koppeling met) de nieuwe Erfgoedwet bevatten bovendien irreële verzwaringen. Wij willen terugkeren naar de oorspronkelijke SER-ladder. Dat betekent dat het aantonen van een actuele regionale behoefte voor bestaand stedelijk gebied achterwege kan blijven.

Jan Fokkema, Nicolette Zandvliet, respectievelijk directeur en juridisch beleidsmedewerker van de Neprom

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels