artikel

De propaganda-oorlog

bouwbreed

De propaganda-oorlog

Thomas van Belzen gaat in zijn boek Duurzaamheidsoorlog op zoek naar de werkelijkheid achter de lca’s en het oerwoud van integrale duurzaamheidsprestatie-indicatoren voor gebouwen. Volgens Paulus Jansen in hij terecht sceptisch.

Inderdaad: ook in de hal van het nieuwe stadskantoor van de gemeente Utrecht prijkt binnenkort het Breaam-certificaat. Is het daarmee een duurzaam gebouw? We zullen het pas over een jaar of vijftig weten. Als de 70.000 vierkante meter grote kolos dan nog springlevend is – functioneel, energiezuinig, prettig om in te werken – mag de plaquette voorzien worden van een lauwerkrans. Maar misschien blijkt het gebouw straks minder flexibel en meer tijdgebonden dan we nu denken, zodat er dure verbouwingen of – in het ergste geval – vervroegde afschrijving zullen volgen. De voorspellende waarde van DuboCalc, GPR en al zijn concurrenten is nogal krakkemikkig.

160 keurmerken

Thomas van Belzen gaat in zijn boek Duurzaamheidsoorlog op zoek naar de werkelijkheid achter de lca’s en het oerwoud van integrale duurzaamheids-prestatieindicatoren voor gebouwen. Hij is sceptisch, en terecht.

Zijn kritische beschouwing kan bovendien getransponeerd worden naar vele andere sectoren. Wat te denken van de 160 keurmerken die allemaal claimen om inzicht te geven in de duurzaamheid van consumentenproducten? En is de consultant die alle ISO-9000 certificaten aan de muur heeft hangen écht beter dan zijn concurrent die zijn geld gestoken heeft in interne bijscholing? Volgens mij hing de hele muur van de BP-directiekamer vol met veiligheids- en milieudiploma’s, maar toch vloog boorplatform Deepwater Horizon de lucht in door lakse bedrijfsvoering. Maatschappelijke schade: ruim 10 miljard dollar.

Het objectiveren van sommige eigenschappen is eenvoudig. De isolatiewaarde Rc van een constructie is een goede maat voor de energetische kwaliteit.

Ingewikkelder wordt het als we allerlei eigenschappen van een product, constructie of gebouw in één overallwaarde proberen uit te drukken. De epc en het energielabel blijken vervolgens niet zo’n goede voorspellende waarde te hebben voor het feitelijk energieverbruik. Waarom niet? Omdat er achter deze all-in indicatoren een heleboel lobby schuil gaat, die niet bedoeld is om het milieu te dienen maar vooral het eigen belang van specifieke producenten, de bouw- en installatiebranche. Steenwolfabrikanten vinden dakisolatie véél belangrijker dan begane-grond- isolatie, ook al stoken de meeste mensen in de woonkamer heel wat harder dan op zolder.

Omdat de normcommissies bevolkt en grotendeels betaald worden door belangenpartijen weerspiegelt de norm vooral de status quo in de markt. Als de berekeningsmethode vervolgens maar complex genoeg gemaakt wordt, zal het gesjoemel met wegingsfactoren – of rentestanden, inflatie, afschrijftermijnen, enz. – verhuld worden achter een dikke nevel gewichtigdoenerij. Tot de koper van het gebouw er achter komt dat hij zich -ondanks die mooie epc-arm stookt.

Bij de lca’s, de Breeams, de GPR’s is het allemaal nog vele graden ingewikkelder dan bij de epc, omdat nog veel meer factoren een rol spelen dan het energieverbruik. De weging van het belang van die afzonderlijke factoren hoort op projectniveau gemaakt te worden. Hij is afhankelijk van de aard van het gebouw, de locatie, de gebruiker, de verwachte levensduur. Vaste wegingsfactoren zijn bij welwillende beschouwing een denkfout, maar in de praktijk de uitkomst van een lobbyproces waarbij milieubelangen ondergeschikt zijn aan commerciële.

Duurzaamheidsprestatie-indicatoren kunnen een nuttig hulpmiddel zijn voor de ontwerpende disciplines om ontwerpoplossingen te vergelijken op duurzaamheidseffecten. En de lca is een hulpmiddel voor producenten om de ecologische voetafdruk van hun producten systematisch te verkleinen. Helaas is die invalshoek de afgelopen twintig jaar ondergeschikt geweest aan het gebruik van duurzaamheidsindicatoren voor verkooppropaganda van producenten en projectontwikkelaars.

Hoe komen we hier uit? Allereerst zal de overheid haar verantwoordelijkheid moeten nemen als hoeder van het algemeen belang, door voldoende te investeren in normeringsprocessen, onafhankelijk beheerde databanken en dergelijke. Die normering wordt nu te sterk beïnvloed door lobbygroepen, waarbij de toekomstige gebruikers van gebouwen en woningen buiten spel staan, maar straks wel de rekening betalen.

Een tweede denkrichting is vereenvoudiging. De Breeams, GPR’s en epc’s zijn weinig transparant en drijven de mensen die middenin de ontwerp- en bouwpraktijk staan tot wanhoop: te complex. Simpele vuistregels, zoals de Trias Energetica, kunnen een veel positiever effect hebben op het milieu dan complexe berekeningsmethoden. Het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen van de SBR koos destijds bewust voor een set vuistregels op het gebied van ontwerp/indeling, detaillering, uitvoering en materiaalgebruik, afgestemd op de dagelijkse bouwpraktijk. Op basis van de 80/20-regel kom je dan bij de meeste projecten tot een prima resultaat, zonder eerst kostbaar en tijdrovend rekenwerk te moeten doen. Deze benadering zou goed aansluiten bij de filosofie achter het Bouwbesluit-nieuwe-stijl, waaraan nu gewerkt wordt.

Van Belzen is in ‘Duurzaamheidsoorlog’ een provocateur. Ik vind dat een logische reactie op 25 jaar zelfregulering en duikgedrag van de overheid, waarbij de consument en het milieu de prijs betalen. Regering regeer!

Paulus Jansen, tot mei 2014 SP-woordvoerder bouwen/wonen/energie in de Tweede Kamer en nu wethouder bouwen/wonen in de gemeente Utrecht

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels