artikel

Prognoses woningbouw tegen het licht

bouwbreed

Prognoses woningbouw tegen het licht

De woningbouwprognoses van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) worden de laatste tijd nogal eens bekritiseerd. Hoe staat het nu met de kwaliteit van die ramingen en wat kun je ermee? Voor Cobouw kijkt Taco van Hoek vandaag terug op de ramingen van de afgelopen jaren. Volgende zaterdag blikt hij vooruit en gaat hij in op kritiek op de meest recente ramingen.

In een interview in Cobouw begin 2007 voorspelde ik dat we dat jaar 80.000 woningen zouden gaan opleveren. Dit trok de nodige aandacht en in zalen voor bouwondernemers werd dit nogal eens in twijfel getrokken. ‘We hebben helemaal de mensen niet om die productie te realiseren’, zo kreeg ik vaak te horen. Mijn commentaar dat de bouwarbeidscapaciteit via zijinstromers en flexibele arbeid in het verleden heel wendbaar was gebleken, maakte doorgaans weinig indruk. Ik voelde me sterk staan omdat we uitgebreid onderzoek hadden gedaan naar de relatie tussen vergunningen en opleveringen in het verleden en de sterke groei van het aantal vergunningen in 2006 wierp zijn schaduw vooruit. Die 80.000 woningen zijn er dat jaar vervolgens ook gekomen.

Januari 2008 presenteerde ik de ramingen voor de bouwsector in de Amsterdamse RAI. De strekking was dat na een aantal sterke jaren de groei er nu wel uit was. Daarbij wees ik ook op een verwachte ontspanning op de arbeidsmarkt na een aantal jaren van personeelsschaarste. Dit leidde tot nogal wat consternatie. Met name werd me gevraagd of ik nu insinueerde dat de toen net opgestarte arbeidsmarktcampagne ‘the skyline is yours’ wel weer opgeborgen kon worden. Ik heb aangegeven dat de timing van die campagne inderdaad misschien niet heel gelukkig was.

In oktober 2008 werd ik opgeschrikt door een spectaculaire daling van de orderportefeuilles in de bouw. Een dergelijke dramatische daling hadden we nog niet eerder gezien – het EIB registreert deze cijfers al sinds 1985 – waarna ik heb besloten om versneld het bericht naar buiten te brengen dat de bouw zich moest gaan opmaken voor krimp. Vanuit Bouwend Nederland kreeg ik bezorgde geluiden te horen of dit niet speculatief was en of ik hier nu echt van overtuigd was. Ik heb gemeld dat de krimp een feit was en dat je alleen nog kon twisten over de vraag hoe omvangrijk de krimp zou worden.

Begin 2009 raamden we een teruggang van de nieuwbouwproductie van woningen met 20 tot 25 procent in de daarop volgende twee jaar. De daling bedroeg uiteindelijk ruim 25 procent. Ook de ramingen voor de totale bouwproductie waren vrij goed. De raming voor het komende jaar was spot onen voor 2010 moesten we de raming van de productie een jaar later nog wel verder neerwaarts bijstellen.

Eurocrisis

De (ongunstige) ramingen in januari 2010 waren ook trefzeker voor dat jaar en ook werd een heel voorzichtig herstel voor 2011 geraamd. Dit herstel was uiteindelijk nog duidelijk sterker dan door het EIB geraamd. We waren toen met andere woorden niet te optimistisch, maar te voorzichtig in termen van het voorziene herstel. Begin 2011 hebben we de groeicijfers voor dat jaar verhoogd en deze vielen uiteindelijk opnieuw wat hoger uit dan geraamd. Mis ging het bij deze raming met de verwachtingen voor 2012. De eurocrisis hadden we niet voorzien en evenmin hielden we rekening met het tumult rond de hypotheekrenetaftrek en de uiteindelijke val van het kabinet en de aanpassing van de renteaftrek in het Lenteakkoord. In plaats van een doorzettend herstel kwamen we in een nieuwe dip te zitten die uiteindelijk nauwelijks minder krachtig was dan de eerste bouwcrisis. In januari 2013 raamden we vervolgens een teruggang van de bouwproductie met 5 procent, die er inderdaad ook is gekomen. Voor de woningnieuwbouw raamden we een krimp van 8½ procent, waar die uiteindelijk op 11 procent lijkt te zijn uitgekomen. De ontwikkelingen in 2013 waren wel negatiever rond het vergunningenverloop dan we vorig jaar dachten, met name bij de corporaties zijn de vergunningen zeer fors teruggelopen. Hierdoor zal de nieuwbouwproductie ook dit jaar eerst nog verder krimpen.

Pijplijneffecten

De conclusies die we over de prognoses kunnen trekken, is dat deze vrij trefzeker zijn als het gaat om het ramen van de ontwikkelingen een jaar vooruit. Dit komt niet omdat we beschikken over een bijzondere kwaliteit glazen bol, maar omdat wij de voor de bouw zo belangrijke pijplijneffecten in beeld hebben. De ramingen voor de jaren daarna zijn minder trefzeker gebleken. Zolang er sprake is van trendmatige ontwikkelingen gaat het nog vrij goed, maar zodra er echte trendbreuken optreden in de economie (eurocrisis) of onvoorziene radicale ingrepen op de woningmarkt plaatsvinden (hypotheekrenteaftrek, verhuurderheffing) dan zitten we mis. Als die zaken dan ook nog samenvallen en dezelfde kant uitwerken voor de bouwproductie, dan doet zich de situatie voor zoals met de raming van begin 2011 voor het jaar 2012.

Terugkijkend is het dus niet zo dat het EIB in het verleden telkens te optimistisch is geweest. De ramingen hebben doorgaans de juiste toon gezet en zijn een jaar vooruit zelfs vrij trefzeker geweest. We hebben de ontwikkelingen zeker niet altijd goed in beeld gehad, maar er is geen sprake van systematische voorspelfouten. De meerwaarde van de prognoses bestaat uit het duidelijk maken van de condities en de samenhangen die er zijn en het benutten van feitelijke informatie – bijvoorbeeld over pijplijneffecten in de bouw – om de onzekerheden over de toekomstige ontwikkelingen waar mogelijk in te kaderen. De onzekerheden brengen we daarnaast in beeld en we schetsen waar mogelijk de gevolgen hiervan voor de ramingen. Bij ingrijpende nieuwe ontwikkelingen actualiseren we de ramingen zo snel mogelijk. Dit levert ons nog steeds geen superieure ramingen op, maar het helpt ons wel de toekomstige ontwikkelingen beter te plaatsen en steeds over een zo actueel mogelijk beeld te beschikken.

Taco van Hoek, directeur Economisch Instituut voor de Bouw

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels