artikel

Duurzaamheidsvrede (de bouwlobby en ik)

bouwbreed

Duurzaamheidsvrede (de bouwlobby en ik)

Vrede op aarde? Ik ben voor. “Ja, ja,” denken criticasters. “Dat zegt dan de auteur van het boek Duurzaamheidsoorlog.” – “Gaat nu ineens zeggen dat hij het allemaal niet zo bedoeld heeft.” Ik kan het niet genoeg blijven herhalen. Ik heb geen oorlog ontketend, hij is er, ik probeer die te laten zien, om de discussie open te breken, om van de donkere kant te leren.

Na het verschijnen van mijn boek Duurzaamheidsoorlog ben ik een provocateur genoemd, een moedig man, maar ik ben ook verweten dat het oprakelen van de weinig eervolle geschiedenis (van duurzaamheidsmaatregelen en de bouwlobby) niemand iets oplevert.

Ik geef toe, één van mijn interviewtechnieken is provoceren. Ik geef toe, af en toe gedraag ik me als een soort van Robin Hood. Ik geef toe, ik kan niet tegen onrecht.

Er is dit jaar iets met me gebeurd. Van journalist werd ik ineens schrijver van een boek. Als puber, in de tijd van pukkels, kotspartijen in gitaren en naïeve liefdesbrieven, droomde ik daar van; boeken schrijven. Eenmaal aanbeland op ‘station boek’ weet ik dat de realiteit vooral hard werken is. De tientallen interviews, het onderzoek, de gewetenskwesties, het getouwtrek, het schrijven tot diep in de nacht, de tranen van vermoeidheid in mijn ogen, kort voor de deadline, tijdens het verjaardagsfeestje van mijn oudste dochter Feline (brenger van geluk) in het zwembad.

Ik wilde er toen zelfs mee kappen. Ik ging door. Het boek werd gedrukt. Ik wilde er eerst niet inkijken. Toen de uitreiking en de aandacht. Zelfs in de Tweede Kamer werd mijn boek besproken. Het kon niet op.

Of er iets is veranderd? Weinig. Je zou er moedeloos van worden. Ik niet. Ik wil me beperken tot het stellen van vragen, wil me blijven verwonderen, me blijven verbazen, wil blijven dromen over een beter later, wil voor altijd journalist zijn, een onafhankelijk denker.

Dat laatste alleen is al moeilijk genoeg. Mijn soort sterft uit. Het is de harde waarheid van de journalist: zijn verhalen leveren te weinig geld op, het publiek is te klein. Afgelopen week kreeg ik een reddingsboei naar mijn hoofd geslingerd. Ik ontving een mail uit het wereldje. Of hij me even vertrouwelijk kon spreken. Rond de klok van zeven uur ’s avonds belde ik de afzender terug. Ik rekende op een primeur, op een tip voor een geweldig verhaal, op “een kiloknaller” zoals onze webredacteur dat noemt. Had ik dat even verkeerd ingeschat. “Ik heb misschien een functie voor je”, kreeg ik te horen. Ik zat in de auto, ergens tussen Den Haag en Utrecht. De boodschap overrompelde me. Maar mijn ego was gestreeld.

Ineens werd deze ‘Carpe diemer’ gedwongen serieus over zijn toekomst na te denken. Voor me zag ik autolampen. Ik denk dat het waaide. Ik probeerde me een beeld te vormen bij de baan die mij werd aangeboden: die van pr-man. “De journalist sterft uit”, dacht ik. “Nu kan ik het zinkend schip verlaten.” Ik dacht aan Kees Jansma die eerst voetbalcoaches interviewde en ze daarna adviseerde hoe ze interviews moeten geven. Ik dacht aan al die andere journalisten die het communicatievak ingingen. Als ex-vegetariërs die nu slagers zijn.

Ik dacht aan mijn gympen die plaats zouden moeten maken voor gepoetste patas, aan mijn spijkerbroek die ik moest inwisselen voor een pantalon, aan mijn ‘onafhankelijke’ geluid dat zou wijken voor het dienaarschap aan de verpakte boodschap van bedrijven. De baanaanbieder gaf het toe: “je zult aan vrijheid inleveren”. “Natuurlijk kun je nog boeken schrijven, maar iets minder kritisch dan je eerste.”

Hij begreep mijn dilemma. “Denk er even over na”, besloot hij het gesprek. Op donderdag kreeg ik het aanzoek, op zaterdag romantiseerde ik mijn verleden, op zondag fantaseerde ik over later, op maandag ontwaakte ik. Er was geen speld tussen te krijgen: ik moest mijn innerlijke Tomtom volgen, dicht bij mezelf blijven.

Maandagmiddag belde ik de vriendelijke werkverschaffer op. Ik bedankte voor de eer en hij begreep mij. Ik besloot: “Journalist zijn is mijn roeping.”

Thomas van Belzen, politiek verslaggever Cobouw.

Reageren op deze blog? Dat kan via
redactie@cobouw.nl of op Twitter via @CobouwPolitiek


‘De bouwlobby en ik’ Mijn komende blogs zullen in het teken staan van deze blogtitel. Ik wil daarin vertellen over de wereld van ambtenaren, belangenbehartigers, politieke kopstukken, Kamerleden en lobbyisten die zichzelf geen lobbyist willen noemen, maar het in feite wel zijn. Ik wil daarin schrijven over aardige en soms te aardige mensen, ik zou niet willen zeggen slijmjurken, over dubbele agenda’s en over de manier waarop men tracht invloed uit te oefenen in Den Haag, het epicentrum van de Nederlandse macht. Politiek bedrijven is gemaskerd walsen. Kortweg De bouwlobby en ik. Tussen klein en Binnenhof, tussen ondernemer en minister, tussen straattaal en jargon.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels