artikel

De nieuwe architect

bouwbreed Premium

De nieuwe architect

“Nee, ik ben geen architect maar historicus.” Ik zie enige onrust. “Maar u bent toch directeur van een architectenbureau?” Ik zie lichte verwarring. “Hoe kunt u daar nou leiding aan geven als u geen architect bent?’ Ik zie meer verwarring. “Mijn bureau is geen architectenbureau maar een bureau voor vernieuwing van stad, dorp en wijk.”

Ik zie de wenkbrauwen zakken. “O, u bent stedenbouwkundige!” “Nee, ik ben historicus. Wij ontwerpen bijvoorbeeld mantelzorgwoningen, én wij helpen onze opdrachtgever ook om ze verhuurd te krijgen én we denken mee over het oplossen van knelpunten rondom mantelzorg.” “Mantelzorg? Maar u was toch históricus?” Totale wanhoop.

Beroepsidentiteit

Ik begrijp het wel, vroeger kon je nog uitleggen wat je was, bakker of slager. Je maakte iets en dat vonden andere mensen dan lekker of niet. Of je was historicus en dan wist je allerlei dingen van vroeger. Ieder zijn ding. Nu zijn de meeste beroepen een stuk vager. Architecten hebben ook zo’n ontwikkeling doorgemaakt, van bouwmeester en halve notabele naar ambachtelijk kunstenaar of creatief dienstverlener, afhankelijk van je taakopvatting. Daar begonnen al de scheurtjes in de beroepsidentiteit.

Met de crisis is daar nog eens met de hamer op doorgetimmerd. En uit de brokstukken zie je nog maar weinig nieuwe figuren ontstaan. Teruggrijpen op een oud houvast wil wel eens helpen. Schoonheid, stevigheid en bruikbaarheid zijn de drie kernwaarden die Vitruvius toedichtte aan de architectuur. Het moet mooi zijn, het moet niet instorten en het moet nuttig zijn. Vitruvius bedoelde ze gelijkwaardig, niet volgordelijk. En nut heeft natuurlijk een enorme maatschappelijke context. Dat moeten we dus weer serieus nemen. Zoals een historicus die leiding geeft aan een architectenbureau dat zich bemoeit met mantelzorg.

Marcel Tankink, directeur KAW, 

Reageer op de column via mail of Twitter via @CobouwNL

Reageer op dit artikel