artikel

Aardbevingen en schadevergoeding

bouwbreed

Aardbevingen en schadevergoeding

De aardbevingen in Groningen en de ontwikkelingen rond schaliegaswinning houden de gemoederen behoorlijk bezig. De belangen zijn groot en de mogelijke nadelige gevolgen voor de omwonenden ook. Deze maand neemt het kabinet een ontwerpbesluit over het winningsplan van de NAM in Groningen. Al veel eigenaren van huizen stellen schade te lijden door de gaswinning. Wat is hun privaatrechtelijke positie? Een toelichting van Monika Chao.

Art. 6:177 BW lid 1 bepaalt dat de exploitant van een mijnbouwwerk aansprakelijk is voor de schade ontstaan door ‘b. beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van het werk.’ Het gaat in dit artikel om risico-aansprakelijkheid. Alleen als er sprake is van een van de aansprakelijkheidsuitsluitingsgronden genoemd in art. 6:178 BW is er geen aansprakelijkheid. Het moet dan bijvoorbeeld gaan om schade veroorzaakt door een gewapend conflict, oproer, een natuurgebeuren van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onweerstaanbare aard; of schade ontstaan door uitsluitend voldoening aan een bevel van de overheid. Het verweer dat de exploitant alles heeft gedaan om schade te voorkomen, gaat niet op.

De wet maakt in lid 2 onderscheid tussen twee soorten exploitanten: met en zonder vergunning. In het geval van de NAM zal het gaan om de exploitant met vergunning. De Mijnbouwwet legt op deze exploitant de verplichting maatregelen te treffen om schade te voorkomen.

In lid 4 van art. 6:177 BW is bepaald dat degene die ten tijde van het bekend worden van de schade exploitant is aansprakelijk is. Wordt een ander exploitant na het bekend worden, dan brengt dat geen verandering in de aansprakelijkheid. Is het mijnbouwwerk gesloten na het bekend worden, dan is de laatste exploitant aansprakelijk. Bij het bepalen van de persoon die aangesproken kan worden, gaat het dus niet om de vraag wie dat is op het moment van de schadeveroorzaking, maar om wie de exploitant is op het moment van bekend worden van de schade.

De schadelijdende partij wordt in art. 6:177 BW in zijn bewijslast tegemoet gekomen. Moet volgens de hoofdregel van het aansprakelijkheidsrecht gesteld en bewezen worden wie de schadeveroorzaker is: dat hoeft niet in dit geval, omdat het moet gaan om de exploitant van het werk. Ook hoeft niet gesteld en bewezen te worden dat het om een fout moet gaan.

Wat wel bewezen moet worden is het oorzakelijk verband tussen de bodembeweging en de schade. Ook dit kan uiteraard lastig zijn. Met het oog daarop is het mogelijk om bij de Technische commissie bodembeweging (Tcbb) technisch onderzoek te laten instellen naar de vraag of, en zo ja in hoeverre de schade is veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van mijnbouw. De kosten voor het inschakelen van de Tcbb bedragen 90 euro. Wordt door de Tccb geadviseerd tot een schadevergoeding die gelijk is aan of hoger dan het bedrag dat de mijnonderneming heeft geboden, dan is het advies zelfs gratis.

Verjaring

Tot slot de verjaring. Art. 3:310 lid 2 BW bepaalt dat als de schade een gevolg van beweging van de bodem als bedoeld in artikel 177, eerste lid, onder b, van Boek 6, de rechtsvordering tot vergoeding van schade, in afwijking van het aan het slot van lid 1 bepaalde, in ieder geval verjaart door verloop van dertig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De hoofdregel is dat de rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis.

Er zitten veel haken en ogen aan de delfstoffenwinning, zowel in privaatrechtelijke als in publiekrechtelijke zin. Na de sluiting van de mijnen in Limburg is het lange tijd stil geweest rond dit onderwerp, maar daar is nu echt verandering in gekomen. Voor het Instituut voor Bouwrecht is dit dan ook aanleiding om uitdrukkelijk aandacht aan dit onderwerp te besteden zowel in het Tijdschrift voor Bouwrecht (‘Schaliegas in Nederland. Een verkenning van het juridisch kader voor verdeling van exploratie- en winningsrechten, vergunningverlening en aansprakelijkheid’, TBR 2013/155) als via het onderwijs (op 21 januari 2014). We zullen de ontwikkelingen nauwlettend blijven volgen.

Prof.mr.dr. M.A.B. Chao-Duivis, directeur van het Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels