artikel

Steeds meer macht voor burgers

bouwbreed Premium

De macht over het ruimtelijke domein verschuift van de rijksoverheid naar de markt. Vervolgens komt de burger aan bod. Dit proces verloopt met horten en stoten. Bestuurlijke samenwerking is belangrijk, vindt Robbert Coops.

Gekwalificeerde planologen en stedenbouwkundigen – en zeker diegenen die in overheidsdienst werkzaam zijn – hebben steeds minder te vertellen in het ruimtelijk domein. De samenleving is veranderd en ruimtelijke ordening op rijksniveau heeft daar slecht en te laat op ingespeeld. Het domein was inmiddels vergeven aan andere partners. Om de Utrechtse hoogleraar ruimtelijke wetenschappen, Oedzge Atzema, te citeren: “De rijksoverheid zwemt op dit beleidsterrein steeds meer in een leeg bad, waarvan ze overigens zelf de stop heeft open getrokken”. Een plastische omschrijving die overigens ook betrekking heeft op tal van andere beleidsterreinen. Er wordt en is veel gedecentraliseerd en geprivatiseerd, hetgeen vroeg of laat onherroepelijk zal leiden tot het verdwijnen van de ambtelijke en bestuurlijke laag die nu rijksoverheid heet. Het is – ook gelet op de steeds manifestere rol en invloed van Brussel – de vraag of dat erg is. En of de kwaliteit en maakbaarheid van het ruimtelijk beleid daardoor in het geding komen. Vermoedelijk niet, want nu passen rijksambtenaren op een winkel die ze zelf al lang in de uitverkoop hebben gedaan. Althans, daar heeft het alle schijn van. Maar wie voelt zich dan wel verantwoordelijk voor het ruimtelijk beleid? En onder welke condities zal dat – zonder een dominante overheid – gaan gebeuren?

De verschuiving van de beslissingsmacht van overheid naar markt manifesteerde zich bij de wisseling van de politieke wacht op het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer toen minister Pronk (PvdA) werd opgevolgd door Dekker (VVD). Gelijktijdig vond ook een verschuiving van aanbodgericht- naar marktgericht beleid plaats. De vraagarticulatie kwam daarmee op de voorgrond; dat ging ten koste van het projectgericht denken en opereren. Inmiddels is de reikwijdte van het nationale, ruimtelijke beleid fors teruggebracht. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft voor een belangrijk deel het ruimtelijk beleid geïncorporeerd, terwijl ook het ministerie van Binnenlandse Zaken zich manifesteert op aanpalende terreinen zoals stedelijke ontwikkeling, bouwen en wonen. De zichtbaarheid van het ruimtelijk beleid werd er in ieder geval niet duidelijker op, temeer daar – mede door de financiële crisis – weinig partijen opstonden die de verantwoordelijkheid voor een integraal ruimtelijk beleid wilden dragen. De ervaringen (op lokaal en regionaal niveau) met projecten op het terrein van gebiedsontwikkeling en de moeizame vernieuwing van vormen van publiek-private samenwerking laten dat ook zien.

Architecten

Dat de ruimtegebruiker centraal behoort te staan is glashelder. Maar in effectieve zin vindt dit inzicht maar moeizaam ingang bij de beleidsbepalers. Dat is vreemd; veel planologen en stedenbouwkundigen denken vermoedelijk nog steeds dat het bij ruimtelijke ordening gaat om het invullen van ruimte in plaats van het voldoen aan maatschappelijke en economische wensen. Ook architecten hebben daar nog steeds een handje van: het ontwerpen van innovatieve en spannende gebouwen lijkt voor hen een grotere uitdaging dan het maken van gebruiksvriendelijke en duurzame gebouwen. De mentale en culturele slag is ook daar nog niet gemaakt.

Langzamerhand dringt een nieuwe realiteit door, waarbij het begrip “zelforganiserend vermogen” opgang doet. Groepen bewoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen gaan aan de slag met eigen ideeën en oplossingen voor ruimtelijke vraagstukken. Zij stappen dus niet in het gat dat overheid en/of markt gegraven hebben maar zorgen er zelf voor dat zo’n gat niet ontstaat. Dat klinkt pretentieus en riskant en misschien ook wel romantisch, maar – zo blijkt uit het onlangs verschenen rapport over de toekomst van de stad van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) – het gebeurt steeds meer en professioneler. Niet alleen in de stad maar ook daarbuiten. De verschuiving van overheidssturing naar marktsturing naar burgersturing gaat uiteraard met horten en stoten en kan (nog?) niet zonder bestuurlijke kaders. Burgersturing leidt overigens niet automatisch tot een ideale (stedelijke) samenleving, zoveel is duidelijk. Zeker in een dichtbevolkt land als Nederland is sprake van een strijd om beperkte ruimte. Kortzichtigheid ligt op de loer, terwijl ruimtelijk beleid juist integraal en op de lange termijn gericht zou moeten zijn.

Elke ingreep in de fysieke ruimte kent negatieve en positieve effecten. Kosten spelen (nu nog) vaak op lokaal niveau, terwijl de opbrengsten (nu nog) op nationaal niveau worden geïncasseerd. Dat is onevenwichtig en ook moeilijk uit te leggen. Bestuurlijke samenwerking – het Rli-rapport spreekt over “de kracht van verbindingen” – is dan ook een belangrijke bouwsteen. “Publiek debat, gezamenlijke verantwoordelijkheden en politieke besluitvorming dienen op elkaar te zijn afgestemd. Daarin ligt de kern van de democratische legitimering van de ruimtelijke ordening, ook in de zelforganiserende stad”, aldus sociaal-geograaf Atzema. Het zou interessant juist dat aspect in 2016 – het Jaar van de Ruimte – verder uit te werken. Want het is overduidelijk dat de verhoudingen tussen burger, bestuur en deskundigen op het beleidsterrein ruimtelijke ordening aan transparantie en vertrouwen hebben ingeboet. Burgers vinden te weinig gehoor bij bestuurders, bestuurders zijn bang voor complexe en riskante vraagstukken en onbeheersbare (burger)initiatieven, terwijl deskundigen onvoldoende inzicht hebben in de wensen en eisen van burgers en de politieke afweging van hun voorstellen.

Drs. Robbert Coops, sociaal-geograaf en werkzaam bij Schinkelshoek Verhoog (r.coops@schinkelshoekverhoog.com)

Reageer op dit artikel