artikel

Vooruitgang in meten milieuprestaties bouw

bouwbreed

Vooruitgang in meten milieuprestaties bouw

Op het gebied van duurzaam bouwen ligt de tijd van de voorkeurslijstjes op materiaalniveau lang achter ons. Er kan worden gekozen uit meerdere filosofieën en tools. De duurzame bouwwereld is een chaotische bende, zo lijkt het soms. Onterecht, vindt Harry van Ewijk.

Wie zich niet in de war laat brengen, ziet de gestage vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt in het objectief beoordelen van de milieuprestatie van bouwproducten. De milieugerichte levenscyclusanalyse (LCA) wordt wereldwijd gezien als de meest geschikte manier om deze milieuprestatie te meten. De op LCA gebaseerde Environmental Product Declaration (EPD) geeft op heldere gestandaardiseerde manier milieuinformatie door in de keten. Het Nederlandse systeem van de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken en de Nationale Milieudatabase vormen een solide basis om de milieuprestatie van materiaalgebruik te bepalen, zoals het Bouwbesluit eist. Dit is onlangs ook gebleken uit een green deal-project milieuprestatie gebouwen waarbij een brede vertegenwoordiging uit de bouwsector betrokken was: een gebouwontwerp werd doorgerekend met verschillende instrumenten die op dit systeem zijn gebaseerd, en dit leverde nagenoeg identieke milieuscores op. Dit is een enorme winst ten opzichte van een paar jaar geleden, toen verschillen nog erg groot waren.

Welk commentaar is er de afgelopen tijd zoal geleverd, en wat blijft er van deze kritiekpunten overeind staan?

• Is het Nederlandse systeem met een beoordeling op bouwwerkniveau de juiste aanpak? Met deze werkwijze lopen we wat voor op de rest van Europa (alleen het Franse systeem lijkt enigszins op het Nederlandse), maar het is ongetwijfeld de toekomst van de duurzaamheidsbeoordeling in de bouw. Een systeem waarbij uitsluitend de EPD behoeft te worden getoond om met het product te mogen bouwen (zoals bijvoorbeeld in Duitsland) zal geen stand houden.

• Waarom leidt het opnemen van zonnecellen of (meer) isolatiemateriaal tot een verslechtering van de milieuprestatie? Inderdaad is het zo dat de materiaalmilieuprestatie dan verslechtert. De bepalingsmethode geeft echter juist instructies om de milieuprestatie van materialen en van energiegebruik in samenhang te berekenen. Omdat er al een energieprestatie in het bouwbesluit werd geëist (epc), is er apart een eis voor het berekenen van een materiaalmilieuprestatie. In rekeninstrumenten als GPR zijn de energie- en materiaalmilieuprestatie al integraal opgenomen.

• Zorgt de “menselijke factor” voor grote afwijkingen in de berekeningen? Nee, het is een kwestie van de juiste afmetingen en materialen in de berekeningen invoeren zoals ook bij constructieberekeningen, kostencalculaties en energieprestatieberekeningen moet gebeuren. Het is nog een noviteit waaraan men moet wennen om te komen tot een routine. Deze afwijkingen vallen weg wanneer er maar wanneer er voldoende bouwproducten in de database zijn opgenomen waaruit een architect kan kiezen.

Waarom moet Nederland nou zo nodig weer aanvullende eisen stellen met de Bepalingsmethode?

Het antwoord is eenvoudig. Met de normen is vastgelegd waarover alle Europese partijen het eens zijn en dat levert een goed raamwerk. Maar voor het bepalen van de milieuprestatie op gebouwniveau ontkom je niet aan aanvullende afspraken. Een voorbeeld. Diverse toxiciteit- impactcategorieën zitten wel in het Nederlandse systeem, en niet in de Europese normen. Een voorbeeld van hoe dat uitpakt. De fluoridewassers waarin baksteenbedrijven hebben geïnvesteerd leiden tot een enorme daling van de uitstoot van giftige stoffen, maar ook tot iets meer energiegebruik. Ze hebben dus een slechtere milieuprestatie wanneer alleen de Europese norm zou worden gevolgd. Daarmee is het milieu niet gediend.

• Wat heeft de materiaalmilieuprestatie voor zin zonder grenswaarde? Dat er, op verzoek van de bouwsector, nog geen grenswaarde wordt gesteld aan de milieuprestatie is een goed idee: verschillende partijen doen zo ervaring op en krijgen inzicht in wat de referentie moet zijn, die gebruikt kan worden om de grenswaarde binnenkort te bepalen.

Kort en goed: de duurzame bouwwereld heeft met de Bepalingsmethode Milieuprestatie Gebouwen en GWW-werken en de Nationale Milieudatabase een objectieve en betrouwbare basis, die in de nabije toekomst nog meer aan kracht wint wanneer alle partijen hun steentje bijdragen.

Harry van Ewijk, IVAM UvA

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels