artikel

Milieulasten per euro prima maatstaf

bouwbreed Premium

Milieulasten per euro prima maatstaf

Onderzoekers vinden de rekenregels voor duurzaam bouwen niet goed (Cobouw 22 oktober). Ze willen dat het systeem veranderd wordt. Mak (GPR) en Van Uffelen (Breeam) vinden dat het daardoor te ingewikkeld wordt (Cobouw 23 en 24 oktober). Met een paar kleine aanpassingen kan het mede door GPR en Breeam ontwikkelde systeem echt goed werken, vindt Tim de Jonge.

In mijn ogen is de discussie echt much a’do about nothing . In het rapport van de vijf onderzoekers wordt zorgvuldig beschreven hoe aspecten van kwaliteit en levensduur meegewogen kunnen worden in de beoordeling van de milieulasten van het bouwen. Dat leidt tot de conclusie dat, als de overheid grenswaarden wil stellen aan die milieulasten, ze die beter kan relateren aan (bouw- en onderhouds-) kosten dan aan vierkante meter bruto vloeroppervlakte.

Het rapport komt niet met een kant-en-klare oplossing, mede om de partners in de ontwikkeling van de bestaande bepalingsmethode (waaronder Breeam en GPR) de gelegenheid te geven mee te denken over de uitwerking van de nieuwe inzichten. De reactie van deze partners in Cobouwvind ik dan ook niet bijzonder constructief.

Van Uffelen suggereert dat een wetenschappelijke benadering van het duurzaamheidsprobleem niet productief is.

Het tegendeel is waar. Te veel simplificeren van de problematiek leidt weliswaar tot eenvoudige spelregels, maar met een werkelijke verbetering van de milieueffecten van bouwen heeft dat weinig te maken.

Om de manier waarop men op projectniveau duurzaamheid vorm wil geven, zo veel mogelijk open te laten, stellen de onderzoekers voor te kijken naar de milieulast per geïnvesteerde euro in plaats van per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een klein(er) gebouw met veel kwaliteit kan immers ook een duurzaam alternatief zijn. In de modellen die tot nu toe door Breeam en GPR worden gehanteerd, wordt zo’n oplossing op voorhand afgewezen als deze meer materiaalgebruik per vierkante meter met zich meebrengt. Als je de uitstoot van schadelijke stoffen ten gevolge van het bouwen wilt beperken door een grens te stellen aan die uitstoot per vierkante meter gebouw, is de uiterste consequentie dat je helemaal niet meer bouwt. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Het opzetten van een database met een behoorlijke vulling, waarin milieulasten per euro zijn opgenomen, zou veel extra inspanning en kosten met zich meebrengen, stellen Mak en Van Uffelen. De Coöperatie Bouwprojecteconomie, een samenwerkingsverband van tien bouwkostenadviesbureaus, heeft aangeboden de database van EcoQuaestor beschikbaar te stellen aan de Stichting BouwKwaliteit, die de Nationale Milieudatabase beheert. In de EcoQuaestor-database zijn voor meer dan 2000 technische oplossingen voor bouwelementen de berekeningen van de milieulasten en de bouwkosten een-op-een gekoppeld. Hiermee is al een uitgebreid bestand met referentiewaarden van milieulasten per euro beschikbaar voor de meest toegepaste bouwconstructies en –materialen in de Nederlandse bouw. De harmonisatie van deze data met de data die nu al in de Nationale Milieudatabase zijn opgenomen, is hooguit een kwestie van een paar maanden.

Ook internationaal wordt (onder andere in CEEC-verband) aan harmonisatie gewerkt. De verschillen tussen de Nationale Milieudatabase en de internationale Environmental Product Declaration zijn in de praktijk veel kleiner dan de specialisten in Nederland denken. Hoewel de Nederlandse aanpak van duurzaam bouwen in de praktijk momenteel op een laag pitje staat, is dat in de andere landen van Europa – door de wijd verbreide crisis in de bouw – niet anders. De belangstelling van de Europese partners voor de Nederlandse benadering van de materiaalgebonden milieulasten per geïnvesteerde euro is onverminderd groot.

Tim de Jonge, directeur van Winket en voorzitter van de Coöperatie Bouwprojecteconomie, ontwikkelaar van EcoQuaestor. Hij vertegenwoordigt de Nederlandse Vereniging van Bouwkostendeskundigen in de CEEC.

Reageer op dit artikel