artikel

Gestimuleerd door de CO2-prestatieladder

bouwbreed Premium

Wat is het effect op CO2-reductie in projecten die met de CO2-prestatieladder gegund zijn? In een serie artikelen vindt de zoektocht plaats naar een antwoord op deze vraag. Vandaag week deel 3.

Basis voor deze serie is een eerder in deze krant gepubliceerd artikel over een onderzoek van Royal Haskoning DHV. Het vorige artikel beantwoordde de vraag wat bedrijven met een CO2-prestatieladder certificaat moeten doen in projecten en op welke wijze ze daarover moeten rapporteren. Dit derde artikel heeft als onderwerp dat opdrachtgevers en opdrachtnemers uiteenlopende verwachtingen hebben over wat de ladder kan bewerkstellingen in CO2-reductie in projecten.

De verwachtingen van Rijkswaterstaat en ProRail lopen hierin niet uiteen. Zij willen door middel van de inzet van de CO2-prestatieladder in aanbestedingen bedrijven uitdagen tot maximale CO2-reductie. Dit wordt gestimuleerd via maatregelen binnen bedrijven , keteninitiatieven en innovatie. De sector als geheel moet daarmee naar een hoger plan. Het doel van de inzet van het instrument is volgens hen dat alle projecten in de gww op korte termijn minder CO2 gaan uitstoten, en op de lange duur uiteindelijk véél minder CO2 uitstoten. Hierbij wordt minder gestuurd op gelegenheidsuitvindingen en zichtbare indrukwekkende technische hoogstandjes, die slechts eenmalig gebruikt worden en niet beklijven. CO2-reducerende maatregelen moeten gemeengoed worden in het ontwerp, aanleg en onderhoud van gww-werken. Daarom zet de ladder in op een groei naar volwassen CO2-management, waarbij bedrijven vanuit hun bedrijfsvoering binnen al hun projecten maximaal sturen op CO2-reductie.

De CO2-prestatieladder draagt op deze wijze bij aan het behalen van de Nederlandse en Europese CO2-reductiedoelstellingen waarbij 80 tot 95 procent CO2-reductie in 2050 beoogd wordt. Een paar procent per jaar is daarvoor voldoende. Dat lijkt niet veel, maar blijkt in de praktijk vaak al lastig genoeg. Echter, de CO2-prestaties van bedrijven die gecertificeerd zijn op de ladder laten zien dat zij dit gemiddeld blijken te halen.

Uit het onderzoek van Royal Haskoning DHV, dat zich overigens concentreerde op de aanbestedingen van Rijkswaterstaat en decentrale overheden en niet op die van ProRail, blijkt dat aannemers met een certificaat ondervinden dat inzet van de ladder in een aanbestedingstraject niet altijd direct de maximale duurzaamheidswinst garandeert. Zij geven aan dat er soms meer CO2-reductie mogelijk is in de projecten, maar dat vraagt bijvoorbeeld wijzigingen in het ontwerp. Het oordeel van Skao is dat de ladder opdrachtnemers en opdrachtgevers wel degelijk prikkelt om in dergelijke gevallen het maximale uit hun projecten te halen, en dat mag worden verwacht dat dit in de toekomst stapsgewijs verder toeneemt. Middels keteninitiatieven op niveau 4 en 5 moeten bedrijven aan de slag met hun ketenpartners met als doel CO2-emissie van de ingekochte materialen terug te dringen, of verbeteringen te realiseren in constructies en processen. Voor de werkelijke toepassing daarvan zijn zij soms afhankelijk van de medewerking van opdrachtgevers.

Keteninitiatieven zijn er ook voor bedoeld om die opdrachtgevers (als ketenpartners) in dat geval over de streep te trekken. Niet in één bepaald project, maar structureel, ten aanzien van een bepaald materiaal bijvoorbeeld.

Door de onlangs vastgestelde branchegerichte toelichting zullen ingenieursbureaus de komende tijd verdere stappen zetten. Op niveau 5 dienen ze hun opdrachtgever te prikkelen om in dat project meer te doen aan CO2-reductie, bijvoorbeeld door bepaalde maatregelen te adviseren, of een integraal duurzame ontwerpvariant voor te stellen. De opdrachtgever wordt dus uitgedaagd daarop te reageren.

Dat er meer CO2-reductie mogelijk is dan nu wordt opgepakt, biedt perspectief voor de komende jaren. Skao meent dat deze reductie vanzelf aan de orde komt door de manier waarop de ladder in elkaar steekt. Gaandeweg zal dit tot andere ontwerpen leiden. Dat betekent automatisch ook dat het op korte termijn kan gebeuren dat in projecten niet alle mogelijkheden worden benut. Opdrachtnemers met hogere ambities voor CO2-reductie op de korte termijn kunnen deze naast de CO2-prestatieladder ook nog op andere manieren in projecten effectueren. Bijvoorbeeld zoals de samenwerking in de Aanpak Duurzame GWW. Hierin is de CO2-prestatieladder bedoeld voor gestage CO2-reductie in alle projecten, en een instrument als DuboCalc voor projecten waarin men qua duurzaamheid nu al het onderste uit de kan wil halen. Beide instrumenten vullen elkaar aan. Dat heeft uiteraard te maken met de manier van projectvoorbereiding en de manier van aanbesteden. In de aanpak als werkproces kunnen opdrachtnemers in een vroeg stadium kansen voor duurzaamheid aankaarten.

Volgens het onderzoek van Royal Haskoning DHV zijn er volgens de bedrijven echter reductiemogelijkheden die een bedrijf niet zomaar zelf voor zijn rekening kan nemen. Hoe kunnen die reductiemogelijkheden volledig tot ontplooiing komen? Dat hangt volgens de bedrijven mede af van de bedoeling van de opdrachtgever en is een samenspel tussen deze beide partijen. In het volgende en laatste artikel wordt hierop ingegaan.

Henriëtte Former, Senior adviseur duurzaam ondernemen en klimaatbeleid bij Royal Haskoning DHV

Gijs Termeer, Projectmanager CO2-prestatieladder bij Skao

Reageer op dit artikel