artikel

Asbestinventarisatie kan stukken beter

bouwbreed

Om risico’s en ongerustheid rond asbest weg te nemen moeten de eisen aan de inventarisatie fundamenteel worden aangepast, meent Jan Warning. Wat volgens planning gesloopt gaat worde, mag door het inventarisatiebedrijf worden beschadigd om verborgen asbest op te sporen.

De zomer van 2012 ligt achter ons. Als we kijken welke onderwerpen uit de bouw het nieuws hebben bepaald, hoort asbest daar zeker bij. Er was de dramatische ontruiming van de Stanleylaan in Utrecht. Daarna kwamen op allerlei plaatsen onaangename verrassingen in de pers. Even leek het erop alsof heel Nederland bezaaid was met asbest, met de nodige onrust onder bewoners. Nadat het onderzoek aan de Stanleylaan was afgerond en het bleek dat het ging om een toepassing die nooit eerder in Nederland plaats had gevonden, verstomde de discussie weer. Het is nu zaak om het probleem in kaart te brengen en verbeteringen voor te stellen.

Gevaar

Allereerst is er geen enkele reden om het gevaar van asbest voor de mens te bagatelliseren. In de statistieken over veroorzakers van dodelijke slachtoffers op het werk in de westerse wereld staat asbest nog steeds bovenaan. In Nederland is asbest verantwoordelijk voor de helft van het aantal doden door beroepsgebonden kanker.

Bovendien is het zo dat, anders dan bijvoorbeeld bij roken, één vezeltje op termijn dodelijk kan zijn. Maar zonder het risico voor bewoners te bagatelliseren zijn het vooral werknemers in de bouwnijverheid die het risico lopen. Immers, zij werken dagelijks in de bouw en lopen dus ook dagelijks het risico van blootstelling. En hier geldt de wetmatigheid: hoe groter de dosis, hoe groter de kans op een asbestziekte. Van de asbestslachtoffers die nu zijn geregistreerd heeft ongeveer tachtig procent de ziekte waarschijnlijk opgelopen tijdens het werk.

Het is dus van belang ons te richten op de werknemers die met ‘onaangename verrassingen’ worden geconfronteerd. Arbouw krijgt met enige regelmaat werknemers aan de telefoon die met asbest in aanraking zijn gekomen. Werkgevers kunnen dit niet altijd voorkomen. Recent vertelde een aannemer mij dat tijdens een renovatieproject werknemers in zijn bedrijf met asbest in contact waren gekomen. Maar bij aanvang van het project had deze aannemer wel degelijk navraag gedaan bij de hoofdaannemer. Er was geen asbest in het pand, zo had een gecertificeerd inventarisatiebedrijf vastgesteld. Dat er dan uiteindelijk toch asbest werd gevonden leidde tot ongerustheid bij het personeel. Het ander gevolg was juridisch onderzoek tussen partijen over wie waarvoor aansprakelijk is mocht zich op een termijn van dertig jaar een ziekte openbaren.

Iedereen is er bij gebaat dat incidenten worden voorkomen. Voordat werknemers aan de slag gaan met renovatiewerkzaamheden moet er een degelijke inventarisatie plaatsvinden. Dat kan beter.

Monsters

Bij een sloopaanvraag is een zogenaamde asbestinventarisatie A verplicht. Dit is een visuele inventa-risatie waarbij wel monsters worden genomen, maar niet wordt gesloopt. Ook wordt bijvoorbeeld een stukje behang losgescheurd om te zien of er asbest achter zit. Pas bij vermoeden dat er asbest in een pand aanwezig is wordt een inventarisatie B uitgevoerd, waarbij wel achter wanden en onder vloeren mag worden gekeken. Bij dit type inventarisatie mogen voorzetwandjes worden gesloopt, want juist achter die wandjes blijkt vaak asbest te zitten.

Om risico’s en ongerustheid weg te nemen moeten de eisen aan de inventarisatie dus fundamenteel worden aangepast. Het uitgangspunt moet zijn: wat volgens planning gesloopt gaat worden mag door het inventarisatiebedrijf worden beschadigd om verborgen asbest op te sporen. Alleen zo komen we van deze onaangename verrassingen af, voor bewoners en werknemers.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels