artikel

Noodzaak van waterberging

bouwbreed

In een recente uitspraak heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een nadere toelichting gegeven op het stelsel van de Waterwet met betrekking tot waterbergingen (ABRvS 25 april 2012, LJN: BW3861).

De Afdeling overweegt dat bij een waterberging juridisch drie elementen te onderscheiden zijn:

1. de aanwijzing van een gebied tot bergingsgebied. Dit is primair een kwestie van ruimtelijke ordening;

2. de aanleg en de inrichting van het bergingsgebied. De beheerder dient daarvoor een projectplan vast te stellen (art. 5.4 Waterwet).

3. de ingebruikstelling van het gebied als waterberging. Dit vergt geen afzonderlijk besluit.

Appellant heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het projectplan Waterberging Diesdonk (element 2). De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Appellant betwist de noodzaak van een waterberging op zijn grondgebied. Deze beroepsgrond heeft volgens de Afdeling geen betrekking op het bestreden projectplan, maar op de aanwijzing van het gebied als bergingsgebied. Die aanwijzing is in deze procedure niet aan de orde.

Appellant stelt ook dat de rechtbank zich onvoldoende heeft verdiept in de gevolgen van het onder water zetten van het bergingsgebied. Appellant richt zich ook hier tegen de aanwijzing van het gebied. Die aanwijzing acht hij niet juist, vanwege de nadelige gevolgen die het gebruik van de waterberging volgens hem zal hebben. De aanwijzing van het gebied is in deze procedure niet aan de orde.

Appellant is het ook niet eens met de schadevergoedingsregeling van het waterschap, maar deze regeling is in deze procedure evenmin aan de orde . De Afdeling merkt nog op dat de omstandigheid dat appellant zelf het initiatief moet nemen om zijn schade te verhalen, volgt uit de wet.

Tot slot bestrijdt appellant de verenigbaarheid van de functie waterberging met agrarische functies. De Afdeling overweegt dat bedoelde verenigbaarheid ter beoordeling staat bij de ruimtelijke inpassing van het bergingsgebied en niet bij het projectplan dat de aanleg van het bergingsgebied betreft. Dit is daarom in deze procedure evenmin aan de orde.

Geen van de beroepsgronden heeft betrekking op het projectplan waartegen beroep is aangetekend. Hieruit blijkt het belang van onderscheid van de drie elementen.

Natasja van Wijk- van Gilst, Stafmedewerker/redacteur Instituut voor Bouwrecht

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels