artikel

Provincie moet bemoeizucht van het Rijk niet overnemen

bouwbreed

Het kabinet-Rutte heeft in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) een strakke en consequente lijn vastgesteld. Bovendien wordt gewerkt aan een grondige vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Nu minister Schultz van Haegen afgelopen week de SVIR heeft ondertekend, komt het op de uitvoering aan.

Het kabinet maakt – overigens niet alleen in de SVIR – een groot punt van het bestuurlijk vertrouwen in andere bestuurslagen, inclusief Europa. Maar de condities waaronder zijn nogal (be)dreigend. Zo gaf toenmalig minister Donner (binnenlandse zaken) immers aan dat wanneer andere partijen niet het hele bestuursakkoord zouden tekenen, het Rijk het ook kon opleggen. Hetzelfde doet staatssecretaris Bleker (landbouw), die maar niet met alle provincies tot overeenstemming geraakt over bezuinigingen op het natuurbeleid. Hij denkt erover de tegenstribbelende provincies juridisch via een noodwet te dwingen. Vertrouwen moet je echter verdienen en valt niet af te dwingen.

Weinig consequent

Als de rijksoverheid vertrouwen zo centraal stelt, waarom schrijft minister Schultz dan in de SVIR voor dat maar maximaal twee bestuurslagen zich met een vraagstuk mogen bezighouden? Is het niet beter om te zeggen dat alle partijen die een goede bijdrage aan de oplossing van een kwestie kunnen leveren, dat ook moeten kunnen doen? Ervan uitgaande dat publieke partijen dat op een verstandige manier zullen doen. Ook is het weinig consequent dat de rijksoverheid grotere bevoegdheden geeft aan provincies en gemeenten terwijl stadsregio’s worden genegeerd. Toch is het juist het regionale niveau dat echt aan integrale gebiedsontwikkeling doet. Waarom moet dat worden uitgehold? De SVIR erkent dat het steden en stedelijke regio’s zijn waar het regionaal-economisch om draait. De OESO heeft niet voor niets gepleit voor versterking van de stadsregio’s in de Randstad. De leefwereld van de burger bestrijkt meer dan het gebied van de eigen gemeente. Dat pleit juist voor versterking van de intergemeentelijke samenwerking en tegen het eenzijdige accent op óf de provincie óf de gemeente.

Veel aan andere partners overlaten kan lijken op het over de schutting gooien van ruimtelijke problemen. Dat zou niet juist zijn. De rijksoverheid moet weten of andere bestuurslagen de hun toegedachte taken goed aan kunnen. Dat veronderstelt dat deze publieke partijen over voldoende geld en bevoegdheden beschikken. Provincies krijgen nu meer taken op ruimtelijk gebied; zij moeten nu als eerste zorgen voor samenhang. Dat zal echter wennen worden omdat ze zich tot nu toe weinig met stedelijke ontwikkeling hebben bemoeid. Bij gemeenten is nog steeds sprake van ondoelmatige concurrentie die nogal eens leidt tot versnipperde woningbouw en tot een overmaat aan bedrijventerreinen en winkelcentra. Gaan de provincies daar nu harder in sturen? De provincie Zuid-Holland geeft weliswaar een goed signaal door de bouw van nieuwe kantoren te beperken tot de grote steden, maar in hoeverre dat ook daadwerkelijk effect heeft valt nog te betwijfelen. De indruk is dat het Rijk zich te gemakkelijk van de problemen afmaakt. Als het nieuwe ruimtelijk beleid wil slagen, dan moeten provincies niet de bemoeizucht van de rijksoverheid overnemen.

Hoge eisen

Willen burgers of private partijen werkelijk de discussie met hun gemeente of provincie aan kunnen, dan stelt dat hoge eisen aan de transparantie van de beleidsvorming. Anders blijft ruimtelijke ontwikkeling teveel een zaak van voldongen feiten en blijft het verhoopte succes uit. De wijze waarop de communicatie en samenspraak bij het opstellen van de SVIR is georganiseerd doet in dat opzicht het ergste vermoeden. Juist nu de burger een belangrijker positie wordt toegedacht in het ruimtelijk beleid is dat geen sterke start.

Het streven om het omgevingsrecht te vereenvoudigen is verstandig. Nu hebben zelfs deskundigen moeite om er hun weg in te vinden. De suggestie die de minister wekt dat door stroomlijning en vereenvoudiging procedures sneller zullen verlopen en dat daardoor ook geld wordt bespaard is te optimistisch. Het kabinet maakt de veel gemaakte fout te denken dat vertragingen door de regels komen. De stroperigheid zit hem echter niet in de hoeveelheid regels maar komt vooral voort uit het gebruik dat partijen van die regels maken. Het vereenvoudigen mag geen actie worden om de (rijks)overheid meer vrijheid tegenover de burger, marktpartijen of andere bestuurslagen te geven. Gebruik deze actie juist om het vormen van succesvolle partnerschappen meer kans te geven. Leg geen dictaat op maar zoek naar datgene wat partijen kan binden. Bedenk daarbij dat partijen niet alleen in de voorbereidingsfase bij een ontwikkeling betrokken moeten worden maar zeker ook bij de uitvoering. Vertrouwen dat vroeg is verworven kan later veel opbrengen.

Oedzge Atzema; Hoogleraar Universiteit van Utrecht

Robbert Coops; Schuttelaar & Partners

Harry de Loor; Oud-inspecteur ruimtelijke ordening

Gerrit van der Plas; Stadsregio Amsterdam

Dit is het tweede deel uit een serie van drie artikelen. Het eerste deel is te lezen op www.cobouw.nl

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels