artikel

juridisch: Proactieve houding inschrijver

bouwbreed Premium

Uit de op het Grossmann-arrest gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een inschrijver op een aanbesteding een proactieve houding wordt verwacht. Dit betekent dat de inschrijver tijdig (voorafgaand aan de aanbesteding) moet opkomen tegen onduidelijkheden of onvolkomenheden in de aanbestedingsstukken. Inmiddels lijken diverse rechters deze verplichte proactieve houding van inschrijvers uit te breiden.

Behalve voorafgaand aan de aanbesteding bezwaar maken tegen onduidelijkheden of fouten in de stukken, zouden inschrijvers verplicht zijn een kort geding te starten als de aanbestedende dienst de stukken ongewijzigd laat.

In een recente uitspraak van de Rechtbank Groningen bepaalde een aanbesteder in de aanbestedingsstukken dat de inschrijver met reële prijzen moest inschrijven. Prijzen van nul euro en negatieve prijzen waren niet toegestaan. Ook mocht niet met symbolische prijzen worden ingeschreven.

Voorafgaand aan de aanbesteding werd de vraag gesteld wat moest worden verstaan onder symbolische prijs. In haar Nota van Inlichtingen volstond de aanbestedende dienst met de opmerking dat in de aanbestedingswereld algemeen bekend was wat dit begrip inhield. Zij verwees de inschrijvers naar de jurisprudentie en literatuur op dit gebied. Vervolgens schreef één van de inschrijvers op twee onderdelen in met erg lage prijzen, die hij uitgebreid toelichtte bij aanbesteding. Onder meer specificeerde hij welke opbrengsten hij zou genereren bij uitvoering van de betreffende werkzaamheden. Echter, de aanbesteder nam geen genoegen met deze toelichting en verklaarde de inschrijving ongeldig, omdat sprake zou zijn van inschrijven met symbolische prijzen.

De Rechtbank is van oordeel dat wanneer over het begrip symbolische prijs bij de inschrijver nog onduidelijkheid bestond na antwoord van de aanbestedende dienst in de Nota van Inlichtingen, het op zijn weg had gelegen nadere actie te ondernemen. De rechter constateert dat de inschrijver na het antwoord nader bezwaar noch een kort geding aanhangig maakte. Voorts constateert hij dat de inschrijver evenmin zijn inschrijving onder protest en/of voorbehoud deed.

Nog afgezien van het feit dat de rechter uit het oog verliest dat de inschrijver sowieso ongeldig zou hebben ingeschreven bij opnemen van een voorbehoud, kan men zich afvragen of de ontwikkeling in de rechtspraak over het verplicht voortijdig procederen wenselijk is.

Mr. Lieke Knoups

Severijn Hulshof Advocaten

Reageer op dit artikel