artikel

Macht in architectuur is aan de ontwerper

bouwbreed

De uitbreiding van het Stedelijk Museum is geen kunstwerk dat tijdelijk aan de muur hangt, maar staat daar waarschijnlijk voor vele decennia. Jan den Boer vraagt zich af van wie de stad is, en hoe bepalend de architect als kunstenaar daarin is.

Amsterdam heeft er weer een beeldbepalend museumgebouw bij. Nadat de koningin begin april van dit jaar het filmmuseum Eye aan de overkant van het Centraal Station opende, mocht ze nu op 23 september de uitbreiding van het Stedelijk Museum openen.

Maar waar de moderne vormgeving van Eye aan het IJ als het ware een natuurlijke eigen plek veroverd heeft, roept het plaatsen van een witte badkuip in de monumentale omgeving van het Museumplein meer vraagtekens op.

Binnen het overheersende architectonisch denken in Nederland is het vanzelfsprekend om uitbreidingen van historische gebouwen op een strakke moderne manier vorm te geven. Zo staat boven op de Stadsschouwburg in Amsterdam een vierkante rode doos, ook nog niet zolang geleden gerealiseerd.

Het uitbreiden van historische gebouwen in dezelfde historische stijl lijkt niet eens een mogelijkheid te zijn, het wordt niet eens overwogen. Waarom eigenlijk niet?

Lastig onderwerp

Het vraagstuk schoonheid is in de architectuur al heel lang een lastig onderwerp. Tot de twintigste eeuw werden musea, schouwburgen en paleizen meestal in een zeer rijke decoratieve stijl gebouwd. De moderne revolutie in de architectuur kan ik kort samenvatten in de woorden van Adolf Loos uit 1908: ‘Das ornament ist ein verbrechen’. Sindsdien hebben de ontwerpers de macht over de gebouwde omgeving overgenomen. En als een ornament een misdaad is, wordt het dus niet meer gebruikt. Daarom een uitbreiding van de Stadsschouwburg en een uitbreiding van het Stedelijk Museum zonder enige ornamenten of versiering. Maar is hier dan nog sprake van schoonheid, of gaat het meer over de macht van de ontwerper?

Dat macht bepalend is in de architectuur wordt erkend door architect Kees Rijnboutt, voormalig rijksbouwmeester. Hij zegt daarover het volgende: ‘Natuurlijk was eeuwenlang niet de schoonheid de belangrijkste legitimatie van de architectuur. Macht, uitstraling, het woord van de heerser of van de heersende klasse, het behendig voldoen aan het dictaat van de vooraf opgelegde proportieleer en zo nog het een en ander legitimeerde het tot stand brengen en in stand houden – tot een andere machthebber ze omverwierp – van gebouwen.’

Omdat de macht in de architectuur nu vooral aan de ontwerpers is, is het hier dus de architect Mels Crouwel die het Museumplein ‘verrijkt’ met een badkuip. Het probleem van ontwerpers kan echter zijn dat ze zich meer als kunstenaar dan als dienaar van de stad gedragen.

Er is echter een belangrijk verschil. Een kunstwerk dat in het museum hangt kan na een half jaar weer in het depot. Met architectuur als kunst moeten we het minimaal decennialang doen.

Mooi voelbaar

Het onderscheid tussen kunst en architectuur wordt heel mooi voelbaar in het volgende citaat van Victor Hugo: “Une maison appartient à son propriétaire, mais son façade est à tout le monde.”

Als de gevel voor de hele stad is, roept dat natuurlijk wel de vraag op van wie de stad is. Is de stad van de ontwerper als kunstenaar, of zijn we gezamenlijk verantwoordelijk voor een organische groei van de stad waarin oud en nieuw op een veel subtielere manier in elkaar overgaan, zoals dat tot de twintigste eeuw veelal het geval was?

In deze crisistijd, nu de plaats van de kunst en de architectuur in onze samenleving opnieuw ter discussie staat, moet deze vraag opnieuw gesteld worden. Van wie is de stad?

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels