artikel

Pleinen profiteren van omgeving

bouwbreed

De mooiste pleinen zijn vooral te vinden in de oudere delen van Amsterdam. Hun inrichting is echter niet zo fraai, vindt Robbert Coops. Gelukkig voldoet de nieuwe generatie pleinen wel aan criteria zoals bereikbaarheid en ambiance.

“Waarom is Amsterdam geen pleinenstad? Waarom staan er nergens standbeelden van generaals met getrokken sabel op een steigerend paard, waar ik stiekem zo van houd? Waarom zijn er geen paradeplaatsen, geen victorievelden, of koninklijke gebaren in de stedelijke ruimte? “ Dat zijn de vragen die fotograaf Jeroen Musch zich zelf op de laatste pagina van ‘Amsterdamse pleinen’ stelt. Het aardige is dat hij in de 207 daaraan voorafgaande pagina’s op overtuigende wijze antwoord geeft op die vraag.

Koninklijke gebaren

Amsterdam heeft immers wel degelijk karakteristieke pleinen, liefst zo’n driehonderd. Sommige overbekend, zoals de Dam of het Museumplein, andere weer niet, zoals het Kastanjeplein. Toegegeven, de koninklijke gebaren vallen ietwat tegen, maar Amsterdam heeft traditiegetrouw ook weinig op met gezag en gezagsdragers.

Musch heeft de nodige voorbeelden in een serie pleinportretten ‘functioneel’ in beeld gebracht. Het boek is geen salontafeluitgave. De Amsterdamse woningbouwvereniging Stadgenoot die de opdracht voor dit boek gaf, wilde immers vooral de verschillende kanten van pleinen belichten. Zeker niet alleen in historisch perspectief, maar juist ook vanwege de “vitaliserende werking van pleinen op buurten, de kansen voor Amsterdam in de toekomst”. Dat is aardig gelukt. Zeker omdat niet is getracht alle pleinen te beschrijven (hoewel deze wel op een overzichtelijke wijze in kaart zijn gebracht), maar door enkele karakteristieke exemplaren in de maatschappelijke, economische en ruimtelijke context van nu te plaatsen.

Wat die toekomst betreft wordt laconiek geconstateerd dat de hoofdstad geen kei is in het aanleggen ervan. Nooit geweest zelfs. De mooiste pleinen zijn vooral te vinden in de oudere delen van de stad. Hun inrichting is dat echter niet. Zo kregen de Nieuwmarkt of het Beursplein eigenlijk pas recent hun huidige aankleding en uitstraling. “Wat de pleinen succesvol maakt is nooit alleen de laatste inrichting, maar het feit dat ze in de loop der tijd langzamerhand zijn veranderd, waarbij aan het oorspronkelijke karakter vaak flink is gesleuteld. Daar komt bij dat pleinen in de oude wijken vaak het meest profiteren van hun omgeving; de menging van functies, het gevarieerde publiek en de dagelijkse drukte bevorderen een levendig stadsplein”. Gelukkig dat de nieuwe generatie pleinen wel voldoet aan criteria zoals bereikbaarheid, voorzieningen, veiligheid, groen of ambiance.

Prettig ogend

Mijn favoriete plein – dat gelukkig ook is beschreven – is het Zuidplein, dat getypeerd wordt als een ‘werkplein’. De ligging aan de Zuidas te midden van kantorenhoogbouw en vlakbij de rumoerige A10 lijkt in dat opzicht bij voorbaat kansloos, maar door de inrichting, zoals de bestrating, de bakken rond de bomen die de wind vanaf de onderdoorgang naar de Minervalaan breekt is er een prettig ogend plein ontstaan. Vooral het zorgvuldige beheer valt op. Er is regie, er is een levendige horeca met terrassen en de ambulante handel verkoopt er broodjes en koffie. Dat levert sociaal verkeer op. “Ogen op de straat”, zoals Jane Jacobs dat in “The death and life of great American cities” in 1961 omschreef.

Pleinen blijken niet alleen het cement, maar ook de barometer van Amsterdam te zijn. Juist open ruimten laten immers de veranderingen het duidelijkst zien. En dat is ook buiten de nationale hoofdstad zo.

Sociaal geograaf en strategisch adviseur bij Schuttelaar & Partners

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels