artikel

Volg nieuw traject voor vergunning

bouwbreed

Met de vernietiging van de vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was afgegeven voor de bouw van de Energiecentrale RWE, is de discussie omtrent deze wetgeving en de complexheid ervan weer in hevigheid losgebarsten. Regina Koning besteedt aandacht aan de overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak.

De bouw van de energiecentrale is al in volle gang. Het is begrijpelijk dat deze uitspraak van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tot verontwaardigde reacties leidt. Voorop staat dat de Afdeling bestuursrechtspraak, zoals iedere rechter, gebonden is aan het recht en bij haar rechtsprekende bevoegdheid de wet toepast. Daarvan mag en kan de rechter niet zomaar afwijken. Zou de rechter dat wel doen dan begeeft hij zich op het terrein van de wetgever. In onze democratische rechtsstaat is het zo geregeld dat niet de rechter maar de gekozen vertegenwoordigers wetten vaststellen (of die bevoegdheid delegeren).

Verboden

Ook voor deze uitspraak heeft de Afdeling bestuursrecht de wet ter hand genomen. In art. 19d Natuurbeschermingswet 1998 is bepaald dat het verboden is zonder vergunning projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Waar het fout gegaan is bij de onderhavige vergunning, is het onderbrengen van de relevante werkzaamheden die vallen onder het gehele project als bedoeld in de Natuurbeschermingswet. Het is logisch dat, geredeneerd vanuit de Natuurbeschermingswet, voor een juiste beoordeling over verslechterende of significante verstorende effecten het gehele project en alle werkzaamheden die deze effecten kunnen hebben in ogenschouw moeten worden genomen.

De voorziene verdieping en uitbreiding van de Eemshaven blijken werkzaamheden te zijn die het mogelijk maken om de centrale zoals deze is vergund, te bouwen en in werking te brengen. Ter zitting is door verweerders en RWE bevestigd dat de centrale zoals deze in de bestreden besluiten is vergund, niet kan worden gebouwd en in werking gebracht indien de uitbreiding van de haven geen doorgang vindt. In dat geval zou de koelwaterinlaat elders gerealiseerd dienen te worden. Dat betekent ook dat de vergunningen gewijzigd zouden moeten worden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt op basis hiervan dat de verleende vergunning in strijd is met art. 19d van de Natuurbeschermingswet omdat bij de beoordeling niet alle werkzaamheden die tot het gehele project dienen te worden gerekend, zijn meegenomen.

Herhaling van zetten

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het echter niet gelaten bij een vernietiging op deze grond. Overwogen wordt dan namelijk: “De Afdeling ziet, mede gelet op de omstandigheid dat een nieuw vergunningtraject zal moeten worden gevolgd waarbij naar verwachting in ieder geval dezelfde onderwerpen aan de orde zullen komen als in de thans voor beoordeling voorliggende besluiten, aanleiding om de overige door appellanten aangevoerde beroepsgronden hieronder te bezien.” Wat de Afdeling bestuursrechtspraak in feite doet, is de vergunningverlener helpen met het voorbereiden van de nieuwe vergunning. Alle punten die door Greenpeace en anderen zijn ingebracht als beroepsgrond worden uitgebreid behandeld. Dit om een herhaling van zetten bij de nieuwe vergunning te voorkomen.

Voor een typering van hetgeen de Afdeling bestuursrecht hier doet kan het beste worden gerefereerd aan de slogan van de Belastingdienst: “Leuker kan de Afdeling het niet maken, wel makkelijker”.

Onderzoeksmedewerker Instituut voor Bouwrecht

Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook de website:

www.ibr.nl/actueel.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels