artikel

juridisch Geen onlosmakelijke samenhang

bouwbreed

De omgevingsvergunning is behoorlijk bekend en de vraag of sprake is van onlosmakelijke samenhang, was mogelijk al eens aan de orde. Onlangs sprak de voorzieningenrechter zich uit over de vraag of sprake is van onlosmakelijk samenhangende activiteiten waarvoor geen afzonderlijke omgevingsvergunningen aangevraagd mogen worden (voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Gravenhage, 10 maart 2011, LJN: BP9765). Is sprake van één feitelijke handeling?

Bij besluit van 20 januari 2011 verlenen B en W van Den Haag een omgevingsvergunning voor het tijdelijk (2 jaar) plaatsen van twee kabels- en leidingsbruggen ter hoogte van Noordwal/Veenkade, ten behoeve van de bouw van een ondergrondse parkeergarage. Verzoekers, bewoners en ondernemers met zicht op de vergunde bouwwerken, stellen dat de vergunning ten onrechte niet als gefaseerde omgevingsvergunning is verleend danwel – in strijd met het bepaalde in art. 2.7 lid 1 Wabo – ten onrechte niet is gezien als ondeelbaar ten opzichte van de rest van de handeling; de realisatie van een parkeergarage aldaar.

Wat betreft de gefaseerde vergunningverlening oordeelt de voorzieningenrechter dat een gefaseerde omgevingsvergunning (art. 2.5 lid 1 van de Wabo) op verzoek wordt verleend. Omdat dat verzoek niet is ingediend, waren B en W daartoe ook niet verplicht.

Het andere punt betreft de onlosmakelijke samenhang. Wat betreft verschillende activiteiten die vallen onder hetzelfde project mogen die activiteiten in beginsel afzonderlijk worden vergund (aangemerkt met de onjuiste term deelvergunning; juist is te spreken van een omgevingsvergunning voor een deel van het project). Dit is niet mogelijk als die activiteiten onlosmakelijke samenhang vertonen. In dat geval moeten die activiteiten worden vergund met één omgevingsvergunning. Dit is geregeld in art. 2.7 lid 1 Wabo. De voorzieningenrechter oordeelt dat hier geen sprake is van onlosmakelijke samenhang, omdat het niet gaat om één feitelijke handeling die onder meerdere vergunningscategorieën als genoemd in art. 2.1 lid 1 en art. 2.2 Wabo kan worden geschaard.

In deze casus begrijpt de voorzieningenrechter verzoekers zo dat zij betogen dat de realisatie van de parkeergarage één feitelijke handeling betreft waarmee de vergunde twee kabel- en leidingbruggen een onlosmakelijke samenhang vertonen. Met die zienswijze is hij het niet eens. De vergunde twee kabel- en leidingbruggen zijn weliswaar bedoeld voor de realisatie van de werkzaamheden in het kader van een te realiseren parkeergarage, maar ze zijn er niet onlosmakelijk aan verbonden. De handeling van de realisatie van de twee bruggen kan als zelfstandige handeling worden gezien. De twee bruggen kunnen – feitelijk bezien – worden gerealiseerd zonder de rest van het plan (parkeergarage) ooit uit te voeren.

Onderzoeksmedewerker Instituut voor Bouwrecht

Voor meer bouwrechtelijke actualiteiten, jurisprudentie, vakliteratuur en regelgeving zie ook:

www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels