artikel

Kosten en winst bij vertraging

bouwbreed

Wanneer het werk uitloopt door omstandigheden in de risicosfeer van de opdrachtgever kan een aannemer recht hebben op vergoeding van vertragingsschade.

In de UAV 1989 is niet bepaald welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. Op basis van de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage is wel een overzicht te geven van posten die in elk geval voor vergoeding in aanmerking kunnen komen:

Bouwplaatskosten, onder andere loodsen, keten, water, elektriciteit, telefoon etc.);Improductieve uren van personeel, materieel en gereedschap;

Gestegen prijzen van lonen en materialen;

Hogere algemene kosten;

Winstderving door het niet kunnen aannemen van ander werk;

Renteverlies over in het werk gestoken kapitaal;

Kosten van langere duur van (CAR)verzekering en bankgarantie.

Ook winstderving en algemene kosten kunnen dus voor vergoeding in aanmerking komen. Indien het werk immers niet was uitgelopen, had de aannemer in dezelfde periode een ander werk kunnen aannemen. Op dit werk had hij winst kunnen maken en had hij dekking kunnen bewerkstelligen voor zijn algemene kosten. Het mislopen van deze dekking en winst is aantoonbare schade.

De aannemer dient zijn stagnatiekosten te specificeren op basis van de werkelijke kosten die hij maakt. Uitgangspunt voor bijvoorbeeld algemene kosten, winst, kosten van personeel, materieel etc. is vaak de begroting van de aannemer. Het is aan de aannemer om aannemelijk te maken dat de werkelijke kosten overeenkomen met zijn begroting.

Voor het berekenen van gederfde winst kan ook worden aangeknoopt bij uitspraken van de Raad van Arbitrage voor de Bouw uit 1929 en 1964 (gepubliceerd in het Jaarverslag van de RvA van 1929 p. 3 en 62 en het Jaarverslag van de RvA uit 1964, p. 98). In één van deze uitspraken redeneert de RvA als volgt.

Doordat kapitaal en werkkracht langer vastligt is sprake van winstderving. Het deel dat vastligt moet groot genoeg zijn om een ander werk aan te nemen. Ligt 9000 gulden vast, dan kan daarmee een werk worden aangenomen dat driemaal zo groot is, dus 27.000 gulden. Een dergelijk werk kan (in 1929 dus) gemiddeld in 9 maanden worden uitgevoerd. Rekeninghoudend met een gemiddelde aannemerswinst van 6 procent had de aannemer dus 1620 gulden winst kunnen halen in 9 maanden, 180 gulden per maand. In dit geval was sprake van 3 maanden vertraging en kreeg de aannemer 540 gulden.

De uitspraak is oud maar de redenatie kan wellicht ook in de huidige tijd nog winst opleveren.

Severijn Hulshof advocaten

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels