artikel

Kijk naar kosten van hele levenscyclus

bouwbreed

Duurzaam inkopen zou veel geld kosten en geen milieuwinst opleveren. Dat stellen althans KPMG en Actal in een recent rapport. Heel het beleid rond duurzaam inkopen zou op de schop moeten. Deze conclusie vraagt echter om nuancering. Want zij doet geen recht aan de beweging naar verduurzaming die, mede door het programma duurzaam inkopen, in vele sectoren is ingezet, meent Vincent Swinkels.

De onderbouwing van het rapport van KPMG en Actal over duurzaam inkopen is eenzijdig: ze negeert de baten. Het veronderstelde gebrek aan milieuwinst is zelfs totaal niet onderbouwd.

Het rapport schat de totale extra kosten van het duurzaam inkoopbeleid op 300 miljoen tot 500 miljoen euro. KPMG en Actal gaan uit van vier doelgroepen, waaronder utiliteit (kantoren). Voor die laatste groep schatten ze de extra kosten op 125 miljoen tot 375 miljoen euro, een stijging van 5 tot 15 procent vergeleken met de reguliere bouwkosten.

Genuanceerde conclusies

DHV heeft recent onderzoek gedaan naar de effecten van duurzaam inkopen voor kantoren. We hebben niet naar de kosten gekeken, wat natuurlijk ook een eenzijdige benadering is. Door kennis van DHV en KPMG te combineren zijn genuanceerde conclusies mogelijk.

Als we spreken over duurzaamheid, is het van belang naar de kosten over de hele levenscyclus van een gebouw te kijken. DHV heeft, in opdracht van AgentschapNL en de Rijksgebouwendienst, onderzocht welke milieuwinst duurzaam inkopen van kantoren oplevert: Voor de Rijksgebouwendienst in 2020 31.000 ton CO2 -reductie. Dit komt door een energiebesparing van 16 procent ten opzichte van 2010, die gerealiseerd wordt door het consequent toepassen van de duurzaam inkoopcriteria.

Op de energierekening wordt circa 10 miljoen tot 15 miljoen euro per jaar bespaard. Voor de overheid als geheel is een financiële besparing van 20 miljoen tot 30 miljoen mogelijk. De extra duurzaamheidskosten van 125 miljoen tot 375 miljoen euro betreffen alleen investeringen, zonder rekening te houden met de baten. Deze extra kosten kunnen in circa tien jaar worden terugverdiend, de levensduur van een gebouw is vele malen langer.

Het is overigens de vraag óf er daadwerkelijk sprake is van hogere investeringskosten. KPMG en Actal constateren zelf dat sommige marktpartijen geen extra kosten zien. Ook schrijven ze dat “bouwbedrijven al zó veel aan duurzaamheid doen dat het programma duurzaam inkopen daar niet veel bovenop doet.”

Daar komt bij dat ook institutionele beleggers steeds vaker duurzaamheidseisen stellen aan het vastgoed waarin zij beleggen. Duurzaamheid lijkt de norm te worden in deze markt en kan niet meer als extra kostenpost worden gezien. Een níet-duurzaam kantoorpand (in een markt met 10 tot 15 procent leegstand) heeft duidelijk minder waarde.

Kanttekening

Actal en KPMG trekken verder de conclusie dat de duurzame inkoopcriteria niet tot innovatie leiden. Dit kan ik onderschrijven, maar ik plaats hier wel een kanttekening bij. Toepassing van de eisen heeft vooral waarde bij partijen (overheden en bedrijfsleven) die níet met duurzaamheid bezig zijn en daar géén aandacht aan willen besteden. De criteria leggen een minimumniveau vast. Voor partijen die voorop lopen met betrekking tot duurzaamheid en daar op een innovatieve manier mee om willen gaan, zijn de eisen inderdaad weinig ambitieus, maar het is wel een manier om achterblijvers in beweging te krijgen.

De conclusie dat duurzaam inkopen veel geld kost en niets oplevert gaat, in ieder geval voor de doelgroep utiliteit, niet op. De opzet van duurzaam inkopen door de overheid kan wellicht effectiever en beter, maar de discussie daarover moet niet eenzijdig over kosten gaan.

Senior adviseur Energie en klimaat bij DHV

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels