artikel

juridischOnvoorziene omstandigheden

bouwbreed Premium

AanhefHet burgerlijk wetboek kent verschillende manieren om rekening te houden met omstandigheden die anders zijn op het moment van het uitvoeren van een overeenkomst in vergelijking tot het moment van sluiten van de overeenkomst. Op die wijzigingsmogelijkheden kan niet zomaar een beroep worden gedaan. De rechter wijst dat soort verzoeken dan ook vaak af. Niet in de volgende zaak.

In zijn uitspraak van 7 september 2011, LJN: BR6977, honoreert de rechtbank Breda een verweer tegen een vordering tot nakoming in verband met de financiële toestand van degene die moest nakomen.

Het ging om een vordering tot nakoming van verplichtingen uit een samenwerkingsovereenkomst (betreffende een bouwplan) van 2006. De gedaagde partij, de Stichting WSG (woningcorporatie) was overeengekomen met zorgorganisatie Het Hoge Veer om nieuwbouw te realiseren op grond overgedragen tegen betaling door Het Hoge Veer aan WSG. In juni 2011 laat WSG weten niet aan deze verplichtingen te kunnen voldoen. Zij heeft geen financieringscapaciteit, er wordt verscherpt toezicht gehouden en zij is niet vrij zelfstandig te investeren. Ten bewijze hiervan wordt een memo van het Centraal Fonds Volkshuisvesting in het geding gebracht, dat deze positie onderbouwt. De rechter is door dit verweer van WSG overtuigd. Hij oordeelt, dat de zinsnede in het memo van het CFV, dat de financiële positie van WSG onvoldoende toereikend is om enig nieuw project ten uitvoer te brengen niet anders kan worden uitgelegd dan dat, ook reeds bestaande projecten niet door kunnen gaan. Hiermee is, aldus de rechter, voldoende aangetoond dat WSG financieel niet in staat is deze verplichtingen na te komen.

Men ziet vaker dat een beroep wordt gedaan op onvoorziene omstandigheden in relatie tot gestegen kosten (denk aan de gestegen staalprijzen) en met verslechterde economische posities. Wil zo een beroep effect kunnen hebben, dan is het noodzakelijk dat de verslechterde situatie op het moment van het aangaan van de overeenkomst niet al in beeld was. Want dan had men er immers rekening mee kunnen houden. Daarnaast is van belang dat aangetoond kan worden dat er inderdaad feitelijk sprake is van een verslechterde positie (bewijs). In dit geval was aan deze twee vereisten voldaan en lag de weg open om de schuldenaar ten dele te ontslaan van zijn verplichtingen.

Directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft

Reageer op dit artikel