artikel

juridisch : archeologisch vooronderzoek

bouwbreed Premium

Gemeenten kunnen initiatiefnemers van bouwprojecten verplichten om archeologisch vooronderzoek te doen. De veroorzaker van de bodemverstoring (de initiatiefnemer van een bouwproject) draait op voor de kosten hiervan. Onderstaande uitspraak gaat over een gemeentelijk verzoek aan het Rijk om vergoeding voor excessieve kosten van een archeologische opgraving.

Namens het college van B en W van Rijnwaarden (hierna: het college) is in 2009 een aanvraag om vergoeding voor de excessieve kosten van een archeologische opgraving ingediend. De staatssecretaris van OCW heeft de aanvraag geweigerd omdat een besluit waarin de verplichting tot het uitvoeren van archeologische opgravingen is opgelegd, ontbreekt. Het college is het niet met de weigering eens. De rechtbank in Arnhem buigt zich over dit geschil (Rb Arnhem 23 juni 2011,LJN: BQ9276).

De rechtbank stelt dat niet is gebleken dat aan de voor het project verleende bouwvergunningen de verplichting is verbonden tot het doen van opgravingen (art. 34 a Monumentenwet 1988). De staatssecretaris was dus niet bevoegd om de aanvraag van het college in te willigen en het weigeringsbesluit kan worden opgevat als de ontkenning door de staatssecretaris dat hij bevoegd was, zodat de aanvraag moest worden afgewezen.

Het college stelt nog dat de verplichting tot het doen van opgravingen zou kunnen worden gelezen in de ruimtelijke onderbouwing bij de verleende vrijstelling en het ontwerpbestemmingsplan. Volgens de rechtbank is dit, ‘wat daarvan in het onderhavige geval ook zij’ onvoldoende voor het aannemen van zo’n verplichting.

Het college beroept zich onder andere op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz)dateert van 31 december 2006 en is op 6 januari 2007 (Stb. 2007, 42) gepubliceerd. De rechtbank acht van belang dat art. 34a van de Monumentenwet 1988 pas in werking is getreden op 1 januari 2008, terwijl de overige onderdelen van de Wamz (waaronder genoemd artikel valt) per 1 september 2007 in werking zijn getreden.

De wetgever heeft met deze vertraagde inwerkingtreding van art. 34a Monumentenwet 1988 nadrukkelijk aan de uitvoeringspraktijk de mogelijkheid willen bieden om te anticiperen op de nieuwe wetgeving.

Het college heeft geen gebruik gemaakt van de tot dat moment van toepassing zijnde Regeling specifieke uitkeringen excessieve opgravingskosten en heeft ook geen verplichting gecreëerd krachtens art. 34a van de Monumentenwet 1988. De rechtbank stelt dat deze omstandigheid, en daarmee ook de excessieve kosten, voor rekening van het college moet blijven.

Stafmedewerker/redacteur Instituut voor Bouwrecht

www.ibr.nl/actueel

Reageer op dit artikel