artikel

Woud van onwillige wieken

bouwbreed Premium

Woud van onwillige wieken

Het woud van windmolens groeit gestaag waardoor het aanbod van afgedankte exemplaren de komende decennia een vlucht neemt. Het recyclen van een windmolen is geen probleem tot de wieken aan de beurt zijn. Dat is taai spul. Er zijn oplossingen, maar een grootschalige aanpak is er nog niet.

2012Architecten bouwde in 2009 met de wieken van afgedankte windmolens een leuke speeltuin in Rotterdam. Dikke pret voor het grut dat van glijbanen roetsjt, maar hoeveel speeltuinen heeft Nederland nodig? In de speeltuin werden vijf wieken verwerkt, terwijl een paar honderd, en over enkele jaren meer dan duizend per jaar worden afgedankt. Een windmolen gaat gemiddeld twintig jaar mee.

Op het vasteland van Nederland staan zo’n tweeduizend windturbines en in zee inmiddels ook al duizend. Zeker het aantal op zee zal fors groeien. Op de vaste wal is in het volle Nederland niet zo heel veel plek meer. Om op het land meer windenergie te winnen, worden regelmatig oudere molens vervangen door nieuwe en grotere die meer stroom produceren. De oude modellen worden zo mogelijk weer verkocht. Dat is echter een markt die stagneert, zegt Henk van den Bosch van Windbrokers, dat handelt in tweedehands molens. “In 2003 begonnen we met de aan- en verkoop van windturbines. We hebben de afgelopen acht jaar 350 windturbines aangekocht, waarvan er 150 zijn afgevoerd en tweehonderd stuks zijn doorverkocht. Maar de laatste anderhalf jaar is dat een moeizame bezigheid en nu wordt de helft van de turbines verschroot of opgeslagen en de andere helft verkocht. Ook bij gebruik van tweedehands molens gaat het om aanzienlijke bedragen. Een tweedehands turbine kan wel goedkoper zijn, maar de kosten voor transport, fundament en aansluiten op het net zijn dezelfde als voor een nieuwe. Er zijn ook al heel wat merken verdwenen en dan worden onderdelen een probleem. Banken die nodig zijn om dergelijke projecten te financieren, zijn na de kredietcrisis terughoudender geworden, zeker waar het gebruikte molens betreft.”

Veel materiaal van windmolens is prima te recyclen, zegt Marco Pol van Van Vliet Sloopwerken. “Het meeste is staal, koper en beton en dat levert geld op. Zo’n 2 tot 3 procent van een windmolen is niet-recyclebaar en dan heb je het vooral over de wieken die van epoxy of glasvezel zijn gemaakt. Die gaan naar de afvalverwerker en dat kost geld, zoals alles wat je stort of verbrandt geld kost.”

Storten en verbranden zijn de meeste primitieve vormen van afvalverwerking. Hoewel wieken licht moeten zijn en dus vooral uit lucht bestaan, zit er ook heel wat vast materiaal in. “Een molen van 1 MW heeft zo’n 10 ton aan glas en hars, dus het gaat toch om behoorlijke hoeveelheden”, zegt Henk Lagerwey van Lagerwey Wind, een kleine producent van windmolens. “Glasvezelcomposiet bestaat voor 50 procent uit glasvezel en 50 procent hars. Glas is zand zeg maar. En het is al een kunst om dat er weer uit te halen. Met het hars kun je in ieder geval niet veel.”

Het Nederlandse KEMA is een van de vele organisaties en bedrijven in Europa die methoden zoekt om de windturbinebladen goed te recyclen. Onderzoeker Bart in ‘t Groen: “Wieken moeten stijf en duurzaam zijn en dat zijn kwaliteiten die het juist moeilijk maken om het materiaal te recyclen. Je zou de grondstoffen graag op hetzelfde niveau terugkrijgen waarop je ze er in stopt, maar dat is lastig. Voor wieken worden zeer lange vezels gebruikt. Om transportkosten in de hand te houden worden afgedankte wieken eerst in stukken gezaagd en daardoor krijg je al kleinere vezels. Bovendien worden de glasvezels tijdens productie zodanig behandeld dat een optimale hechting ontstaat tussen vezel en hars. KEMA heeft veel onderzoek gedaan naar behandelingstechnieken voor gerecycled materiaal. Het gerecyclede materiaal hecht zich namelijk moeilijker aan een nieuwe hars.”

Toch zijn er zeker wel verwerkingsmethoden, zegt In ‘t Groen. “Je kunt het materiaal verkleinen en van resterende vezels bijvoorbeeld brievenbussen en autospoilers maken. Of je gaat zover dat zelfs poeder ontstaat. Dan kan het zand of kiezel vervangen en als vulstof in bijvoorbeeld plamuur, lijm of cement gebruiken worden. Dat laatste gebeurt in Duitsland al. Alleen vervang je dan met een hoogwaardig product een laag energetische materiaal als zand of kalk.”

Energie

In de vezelmaterialen is namelijk tijdens grondstofwinning en productiefase een bepaalde hoeveelheid energie vastgelegd, welke als het ware vernietigd wordt wanneer het materiaal in een laagwaardiger toepassing teruggeplaatst wordt. “Zoals bijvoorbeeld bij een zandvervanger het geval is. Een methode om wel zo lang mogelijke vezels terug te winnen, is pyrolyse: het materiaal verhitten, zonder zuurstof, zodat het uit elkaar valt maar niet verbrandt.”

Het bedrijf ReFiber in Denemarken heeft daar ervaring mee. Het stopt brokken van een wiek in een oven die tot 500 graden wordt verhit, waardoor het materiaal uit elkaar valt en glasvezels en metalen gescheiden kunnen worden. Door de hitte verliezen de glasvezels 50 procent van hun sterkte en daar een nieuwe wiek mee bouwen is niet raadzaam. Maar er ligt dan nog steeds een kwalitatief hoogwaardig product waarvan bijvoorbeeld isolatiemateriaal voor in de bouw kan worden gemaakt. Wie vreest dat de ovens voor dit proces veel energie vragen, stelt Erik Grove-Nielsen van ReFiber gerust. “In 3 ton glasvezel-composiet zit het energie-equivalent van een ton olie. Bij het verhitten van het materiaal komt gas vrij dat je kunt omzetten in energie.”

Glasvezel

Grove-Nielsen zegt dat zijn aanpak succesvol is voor zowel glas- als koolstofvezel, waarvan hij in 2006 nog zes ton verwerkte. Sinds 2007 is ReFiber echter een ‘slapend bedrijf’. Grove-Nielsen: “We bestaan nog, maar konden onze verwerking van vijfduizend ton per jaar in Denemarken financieel niet veilig stellen. De Deense overheid wil het storten van glasvezels niet verbieden. Bij ons aan de poort zouden leveranciers 150 euro per ton moeten betalen, bij de stortplaats 80 euro. De politieke wil om dit soort groene technologieën te ondersteunen is sinds 2001, toen de sociaal-democratische partij haar meerderheid verloor, afwezig. Zo’n stortverbod kan helpen. In 1995 verbood de links Deense regering het storten en verbranden van autobanden en tegelijkertijd werd een kleine heffing opgelegd bij de aanschaf van nieuwe banden. Dat heeft geleid tot een zeer succesvol bedrijf als Genan dat oude banden nu omzet in bruikbare grondstoffen. Zoiets hebben wij ook nodig om de trein weer aan het rollen te krijgen.”

Imago

In ‘t Groen: “Composieten worden steeds vaker en in veel meer dingen toegepast dan alleen windturbines. Auto’s zitten er vol mee en die branche is bij wet verplicht om een hoog percentage van een auto te recyclen, dus ook de kunststoffen. Voor de end-of-life-fasevan turbines is vaak minder belangstelling. Het groene imago van windenergie zou je echter ook graag in de recycling terugzien. Je praat over hoogwaardige producten, zonde om te storten.”

Reageer op dit artikel