artikel

Verschrijving bij boetebepaling

bouwbreed

De boete wegens termijnoverschrijding wordt vaak bepaald op 0,5 promille. In een overeenkomst was echter opgenomen: 0,5 procent. Een kennelijke verschrijving?

Aangesproken tot betaling van een bedrag van 165.000 euro, gebaseerd op 0,5
promille, verzet de aannemer zich: hier is sprake van een kennelijke
verschrijving, er moest, zoals gebruikelijk, o,5 promille staan. De aannemer
vindt het scheidsgerecht, RvA 15 oktober 2010 (nr. 31.101), aan zijn zijde. In
een UAV-bestek, zo wordt geoordeeld, staat gewoonlijk een kortingsbedrag. Bij
koop-/aannemingsovereenkomsten wordt geen bedrag genoemd maar een promillage en
geen percentage. De opdrachtgever mag de architect hebben opgedragen een forse
boete in het bestek op te nemen, niet is gebleken dat dit met de aannemer is
besproken. Gelet op de uitzonderlijkheid van dit boetebeding had het op de weg
van opdrachtgevers gelegen aanneemster expliciet op de gewenste korting te
wijzen. Dit is niet gebeurd, terwijl gemakkelijk over het kortingspercentage
heen is te lezen. Opdrachtgevers mochten er hier dan ook niet zonder meer van
uitgaan dat aannemer met het beding zou instemmen. Partijen zijn geen korting
van een half procent van de aanneemsom overeengekomen. Arbiters gaan uit van 0,5
promille, 16.503,76 euro. Bij de feitelijke uitkomst plaats ik geen vraagtekens,
maar ik maak wel een opmerking bij het oordeel van arbiters dat de opdrachtgever
aannemer expliciet had moeten wijzen op het kortingspercentage. Op welke
juridische grondslag stoelt dit oordeel? De precontractuele redelijkheid en
billijkheid? Die brengt mee dat een aannemer een opdrachtgever moet wijzen op
fouten in het bestek op straffe van verlies van aanspraak op bijvoorbeeld
meerwerk. Maar betekent die grond dat ook expliciet moet worden gewezen op
bijzondere bedingen opdat de andere partij er bewust mee instemt? Is zorgen dat
de andere partij bewust instemt een verplichting die rust op een contractant in
spe? Men mag de ander niet op het verkeerde been zetten en bijvoorbeeld een
beding verdoezelen; dan ligt een beroep op dwaling op de loer. Maar het ging nu
om een bepaling waar overheen gelezen kan worden. Ik aarzel of men daarvoor ook
de ander moet behoeden: het gaat heel ver en hoe zit het dogmatisch? Toch ben ik
tevreden met de uitspraak. De aannemer is niet gebonden aan dit beding dat hij
niet gewild heeft. Als van zo’n situatie sprake is, moeten partijen in beginsel
niet aan elkaar gebonden zijn. Niet omdat de opdrachtgever de aannemer had
moeten behoeden, maar omdat de wil van de aannemer niet gericht was op deze
overeenkomst nu hij zich had vergist.

Directeur Instituut voor Bouwrecht en hoogleraar bouwrecht TU Delft.

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels