artikel

Auto-industrie kan leren van bouw

bouwbreed

Het nationale autopark onderscheidt zich nog niet van de saaiste Vinex-wijk, meent Michiel Wentges. Voor hem hoeft de bouw dus helemaal geen voorbeeld te nemen aan de veelgeprezen automobielindustrie. Andersom zou beter zijn.

De bouwsector moet een voorbeeld nemen aan de auto-industrie, meent Ate van
der Zaag (Cobouw 22 mei 2009). Hij voert onder andere de efficiency en
levertijden aan als voorbeeld. Nu heb ik deze vergelijking al vaker gehoord en
telkens weer verbaas ik mij erover. Geprezen worden vaak ook de
productflexibiliteit en het inspelen op de marktvraag. Mij ontgaan de redenen
tot deze aanbidding volledig. Als er één gesloten en in zichzelf gekeerde
industrie is waarbij eentonigheid en beperkte keuze eerder regel dan
uitzondering zijn dan is dat de automobielindustrie. De ontwikkel/bouwbranche
hoeft zich helemaal niet te schamen voor haar prestatie; sterker: ze mogen er
best trots op zijn (de slechte daargelaten). Ik zal pogen door het trekken van
een aantal parallellen dit kracht bij te zetten. Het nationale autopark
onderscheidt zich nog niet van de slechtste en saaiste Vinex-wijk. Dit komt
doordat de consument niets te kiezen heeft: er is een beperkt aantal producenten
met een zeer beperkt aantal standaard producten. De vormgeving staat vast, de
kleuren zijn zeer beperkt en als je vraagt om die mooie grille van Mercedes bij
de aanschaf van een nieuwe Citroën, wordt er onbegrepen gekeken. De
flexibiliteit is nihil; er is keuze uit zes stofferingen, maar probeer daar niet
van af te wijken. Vergelijk dat eens met het aantal opties aan het chassis van
een nieuwbouwhuis: erkers, dakramen, aangebouwde garages etc.: het kan allemaal,
tot aan de indeling toe.

Meerwerk

Met meerwerken heeft de branche een slechte naam opgebouwd. Maar vergelijk
dat eens met de optiepakketten bij auto’s: het standaard model wordt uitermate
karig aangeboden en voor veel zaken die eigenlijk volgens de stand der techniek
standaard moeten worden geleverd betaal je een (ondoorzichtige) hoofdprijs. Als
die fabrieksefficiëntie zo hoog is, is het monteren van wat servomotoren voor de
bediening van het schuifdak en de achterramen toch niet veel duurder dan de
materiaalkosten? Door wat standaard zou moeten zijn aan te bieden in dure
optiepakketten verdient men geld. Flexibiliteit binnen de optiepakketten is er
niet: het hele pakket, of niets. Ook in openheid en transparantie doet de bouw
het goed: elk onderdeel is over het algemeen afgeprijsd, tot aan de
spreekwoordelijke meter plint toe. Ik hoorde laatst op een symposium (waar,
jawel, weer de parallel tussen bouw en automobielindustrie werd getrokken) één
spreker zijn verbazing uitspreken over het feit dat onder aan de begroting van
een (bouw) aanbieding een post ‘faalkosten’ stond opgenomen. Hoe hij durfde! Ik
beken dat dit vrij uitzonderlijk is; geprezen is echter de aannemer die dit
deed: hij geeft een volledig inzicht in zijn bedrijfsproces. De spreker echter
verwees als gezegd naar de autobranche: daar stond toch ook niet onder de
rekening een post ‘faalkosten’? Spreker beseft zich blijkbaar niet dat dit
gewoon in de prijs zit: enig idee hoeveel opstart- en faalkosten daarin zitten?,
hoeveel bijvoorbeeld alleen die motor kost? Deze transparantie is ons niet
gegund.

Investering

Toch blijft die fascinatie voor auto’s en haar industrie iets bijzonders. Het
mag verbazingwekkend heten dat in woonwijken met huizen tussen 2 en 3 ton,
auto’s van 50, 60 duizend euro voor de deur staan. Terwijl een investering in
een auto na twee tot drie jaar voor de helft is afgeschreven en een investering
in je woning (of uitbreiding daarvan) behalve fiscaal gunstig, op middellange
termijn op zijn minst ook waardevast is (inclusief faalkosten)! We doen het in
de bouw nog helemaal niet zo slecht! Als de enige doelstelling zou zijn het
optimaliseren van de efficiency dan leidt dit automatisch tot een volledig
standaardproduct zonder enige flexibiliteit. Dit is waarop de
automobielindustrie heeft ingestoken en waarvan, wat mij betreft althans, de
bouw verre moet blijven. Natuurlijk moeten de faalkosten omlaag door slim en
geïntegreerd te ontwerpen en bouwen. Omgekeerd zullen we moeten accepteren dat,
als we een variabel product willen (wat goed is voor de klant en voor de
esthetiek: geen eenheidsworst!) dit altijd gepaard gaat met een bepaalde mate
van efficiencyverlies. De uitdaging is een evenwicht te vinden tussen
flexibiliteit en ambacht aan de ene zijde en standaard modules en prefabricage
aan de andere zijde. Gelukkig zijn er in de markt al voorbeelden waar dit
evenwicht goed wordt bereikt. Daar zou de autobranche een voorbeeld aan mogen
nemen!

Reageer op dit artikel

Gerelateerde tags

Lees voordat u gaat reageren de spelregels